{"id":408,"date":"2009-01-20T22:29:04","date_gmt":"2009-01-20T20:29:04","guid":{"rendered":"http:\/\/hume.doesntexist.org\/\/?p=408"},"modified":"2009-01-20T23:10:42","modified_gmt":"2009-01-20T21:10:42","slug":"bmgn-verwijzingen-naar-hume","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/?p=408","title":{"rendered":"BMGN Verwijzingen naar Hume"},"content":{"rendered":"<ol>\n<li>Ankersmit &#8211; Blauwdruk van Blauwdrukken (2002)<\/li>\n<li>R. de Schryver &#8211; Tussen literatuur en wetenschap (1972)<\/li>\n<li>Chris Lorenz &#8211; Het vergeefse zoeken naar zekerheid (1988)<\/li>\n<li>J. G. A. Pocock &#8211; Spinoza and Harrington: An Exercise in Comparison (1987)<\/li>\n<li>De Schryver over de nieuwe AGN (1986)<\/li>\n<li>Schwegman &#8211; Vrouwengeschiedenis en de \u02bbgevestigde\u02bc geschiedwetenschap. Een ontmoeting (1994)<\/li>\n<li>Velema &#8211; Homo mercator in Holland. Elie Luzac en het achttiende-eeuwse debat over de koophandel (1985)<\/li>\n<\/ol>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=409\" >Ankersmit &#8211; Blauwdruk van Blauwdrukken<\/a><\/strong><\/p>\n<blockquote><p>Maar in de loop van de achttiende eeuw brak die eenheid [de eenheid die de rationalisten, maar ook de Griekse <em>Stoa<\/em> probeerden te zoeken onder de veelheid van dingen] op talloze plaatsen uiteen: het empirisme erkende de veelvormigheid van de werkelijkheid, de achttiende-eeuwse psychologie loste de menselijke identiteit op in een veelheid van ervaringen en gevoelens, David Hume ging zelfs zover om daarom heel die notie van de menselijke identiteit als een illusie te bestempelen, dezelfde Hume schiep met zijn kritiek op het<br \/>\nnatuurrecht een onoverbrugbare kloof tussen de menselijke natuur enerzijds en die van de samenleving anderzijds, &#8216;is&#8217; en &#8216;ought&#8217;, &#8216;Sein und Sollen&#8217; kwamen nu los van elkaar te staan, de Schotse Verlichting erkende die onderlinge onherleidbaarheid van de menswetenschappen en de sociale wetenschappen, het menselijke handelen en de (sociale) effecten daarvan werden voorgoed uit elkaar gehaald met Adam Fergusons befaamde dictum dat alles wat in de geschiedenis gebeurt wel het resultaat mag zijn<br \/>\nvan &#8216;human action but not of human design&#8217;, de geschiedenis verzelfstandigde zich daarmee van de kennis van de mens en, in een laatste beweging, in de aanloop naar de Romantiek viel ook de menselijke natuur uiteen in het conflict tussen rede en gevoel en werd zelfs een eerste stap gezet naar de ontdekking van het onbewuste.<\/p><\/blockquote>\n<p>[486]<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=410\">R. de Schryver &#8211; Tussen literatuur en wetenschap<\/a><\/strong><\/p>\n<blockquote><p>Anderzijds kan als objectiviteit ook wel worden aangerekend, dat de meeste<br \/>\nauteurs &#8211; tenzij ze uitdrukkelijk slechts een beperktere tijd konden of wilden behandelen &#8211; voor alle periodes van de geschiedenis interesse hebben. Anders dan de verlichte historiografie, voor wie er interessante en oninteressante tijdperken waren, hebben onze auteurs, als kinderen van de romantiek, zin voor de organische samenhang van het hele verleden. Een mentaliteit als die van David Hume, die in zijn History of England verschillende periodes nauwelijks of niet aanroert omdat ze &#8216;obscure and uninteresting&#8217; zijn, ligt onze mensen niet; en evenmin zullen ze Voltaire volgen die schrijft dat &#8216;quiconque a du go\u00e1\u00bbt, ne compte que quatre si\u00e8cles<br \/>\ndans l&#8217;histoire du monde&#8217; 28<\/p><\/blockquote>\n<p>noot 28: Zie de eerste alinea van Humes <em>History of England<\/em> en de &#8216;Introduction&#8217; van Voltaires <em>Si\u00e8cle de Louis XIV<\/em>.<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=411\">Chris Lorenz &#8211; Het vergeefse zoeken naar zekerheid<\/a><\/strong><\/p>\n<blockquote><p>\n&#8220;Op grond van Vries&#8217; heimelijke positivisme was te verwachten dat hij vraagtekens zou plaatsen achter mijn these, dat het vergelijkend oorzakelijke verklaringsmodel oorzakelijke verklaringen oplevert, die geen &#8216;gemankeerde&#8217; of &#8216;tweederangs&#8217; wetmatige verklaringen zijn. Voor positivisten impliceert oorzakelijkheid namelijk wetmatigheid en impliceert een oorzakelijke verklaring derhalve een algemene wet. Hempel cum suis hebben hier nooit enige onduidelijkheid over laten bestaan: &#8216;Every &#8216;causal explanation&#8217; is an &#8216;explanation by scientific laws&#8217;; for in no other way than by reference to empirical laws can the assertion of a causal connection between certain events be scientifically substantiated&#8217;6.<br \/>\nIk bestrijd deze identificatie van oorzakelijkheid met wetmatigheid in mijn boek langs twee wegen. Langs een filosofische weg lokaliseer ik in navolging van Mackie de essentie van het oorzakelijke denken niet (zoals Hume, en met hem het positivisme) in de regelmatige opeenvolging van twee soorten gebeurtenissen (bijvoorbeeld de opeenvolging blikseminslag-<br \/>\nbrand), maar in de ervaring van verschil (zonder bliksem, geen brand; met bliksem, wel brand). Deze opvatting van causaliteit brengt een andere visie op oorzakelijke verklaringen met zich mee, waarin niet wetten maar &#8216;verschil-oordelen&#8217; de centrale rol spelen. Daarnaast laat ik zien dat positivisten er nog nooit in geslaagd zijn een criterium te ontwikkelen met<br \/>\nbehulp waarvan ze wetten van pseudo-wetten kunnen onderscheiden (Constructie, 120-122). Hun exclusieve liefde voor wetmatige verklaringen is dus in meer dan \u00e9\u00e9n opzicht blind.&#8221;\n<\/p><\/blockquote>\n<p>[411]<\/p>\n<p>en even verder:<\/p>\n<blockquote><p>\nDe vraag die zich nu opdringt is of het vruchtbaar is om de relatie tussen de maatschappelijke instituties en de handelingen van individuen als &#8216;quasi-causaal&#8217; te typeren. In dit verband zijn zowel argumenten pro, als contra aan te voeren. Het voornaamste argument pro is het al door Weber verwoorde inzicht (zie bladzijde 418) dat instituties een oorzakelijke betekenis hebben voor de handelwijze van individuen. Qua effect lijkt het erop dat zij de handelingen van individuen oorzakelijk determineren: zo is de institutie &#8216;vrije markt&#8217; er de &#8216;oorzaak&#8217; van dat het economische handelen van ondernemers doorgaans op het optimaliseren van het (kapitaal)rendement is gericht en zo is de institutie &#8216;godsdienst&#8217; er de &#8216;oorzaak&#8217; van dat individuele gelovigen in Nederland doorgaans op confessionele politieke partijen stemmen. Daarom kunnen we het economische en politieke gedrag van respectievelijk ondernemers en gelovigen quasi-causaal als &#8216;mechanische&#8217; effecten van de instituties in kwestie verklaren. De relatie tussen institutionele &#8216;stimulus&#8217; en individuele &#8216;respons&#8217; is echter niet &#8216;gewoon&#8217; (Humeaans) causaal, omdat er doorgaans een motivationele verbindingsketen &#8216;tussen zit&#8217;. Ondernemers en gelovigen volgen in hun handelen immers hun eigen motieven; in dit verband is alleen van belang dat deze motieven op een quasi-causale wijze door de instituties aan individuen worden &#8216;afgegeven&#8217;26. Het politieke handelen levert daar het duidelijkste voorbeeld van; hoewel iedere kiezer overeenkomstig zijn of haar eigen &#8216;vrije wil&#8217; en eigen motieven zijn\/haar stem uitbrengt, zijn dit motief en deze handeling zodanig institutioneel (&#8216;structureel&#8217;) bepaald, dat sociaalwetenschappelijke onderzoekers op basis van kleine steekproeven de verkiezingsuitslagen vrij nauwkeurig kunnen voorspellen. Het volgen van eigen motieven en het idee van een quasi-causale institutionele determinatie van individuele handelingen zijn dus niet met elkaar in strijd. Of, zoals Tacq het formuleert: &#8216;Externe determinatie en interne zelfdeterminatie gaan samen en zijn ook niet inconsistent&#8217;.&#8221;<br \/>\n[420-421]<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=414\">J. G. A. Pocock &#8211; Spinoza and Harrington: An Exercise in Comparison<\/a><\/strong><\/p>\n<blockquote><p>\n&#8220;It is a consequence, at all events, that Spinoza&#8217;s understanding of res publica was predicated exclusively upon the alienation of sovereignty into the hands of a one, a few, or a many; and if we confine the term &#8216;republic&#8217; to the non-monarchical forms, these will appear (as they did to Bodin or Hobbes) nothing more than modes of locating a sovereignty which is essentially always the same. But this formalisation of sovereignty arose from conceiving it as a thing to be alienated, so that even its retention by the people had the effect of giving the people a dual personality. There was an alternative approach, in which self-government was conceptualised not as a jus but as a virtus, an attribute of personality which it was meaningless to think of giving away; and in this scheme monarchy, aristocracy and democracy appeared not as three incompatible modes of locating an alienated sovereignty, but as three modes of exercising power contained within the politeia itself. Since sovereignty was diffuse to the point where it was hardly defined as an original res at all, it was perfectly possible to think of three (or more) modes of exercising it as existing at the same time; and therefore there could arise theories of shared, mixed and balanced government, to which the epithet &#8216;republican&#8217; could come to be attracted. It is these which are apparently not to be found in Spinoza. The Tractatus Politicus is incomplete, but I do not find any hint that the three modes of sovereignty were going to be exhibited in combination; and it is easy to fit Spinoza&#8217;s thinking into a juristic model which would make mixed government formally impossible. I will not ask \u2020\u201d since others must already know \u2020\u201d how far theories of mixed government became part of Netherlandish political discourse; but I will proceed to show that in English discourse such a theory assumed a central role, and could become at one and the same time a doctrine of conjoint sovereignty, which was monarchical, and one of the separation of powers, which was republican. This is why David Hume found it necessary to devote an essay to the question &#8216;whether the British government inclined more to absolute monarchy or a republic&#8217;, a problem which would have had a very different meaning if posed in Dutch or Walloon. Spinoza might have supposed that the Dutch government must be one or the other; scarcely that it was a mixture of the two.&#8221;\n<\/p><\/blockquote>\n<p>[442-443]<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=415\">De Schryver over de nieuwe AGN<\/a><\/strong><\/p>\n<blockquote><p>\nIn de reeks aparte boeken die samen de Oxford History of England heten, treffen we eenzelfde situatie aan voor de economisch-sociale geschiedenis. Enkele steekproeven leiden tot de conclusie dat indeling en inhoud worden bepaald door politieke structuren en gebeurtenissen, met als gevolg dat economische en sociale toestanden weliswaar op menige plaats ter sprake komen, maar als zodanig apart toch, zoals reeds bij David Hume het geval was, amper object van onderzoek zijn; voor Romeins Engeland levert dit een getal op van 12%, voor de veertiende eeuw van 13%, in het deel over de vroege Stuarts met een apart hoofdstuk over sociaaleconomische geschiedenis van 21%, maar in dat over de latere Stuarts wordt het weer een her en der zoeken, zoals dat ook het geval is in A. J. P. Taylors boekdeel over de tijd der wereldoorlogen. Wat verder de New History of Ireland betreft, deze beoogt &#8216;to integrate all major aspects of the life of society in Ireland with the general course of Irish history&#8217;33. In het deel over de zestiende en zeventiende eeuw betekent dit niettemin dat de staatkundige ontwikkeling veruit primeert en royaal als eerste aan bod komt; de eigenlijke economisch-sociale geschiedenis krijgt in dat deel 17% toebedeeld. Als dit representatief is voor de andere delen, zal de Ierse geschiedenis binnen dezelfde traditie en optie liggen als de Engelse en Schotse equivalenten.&#8221;\n<\/p><\/blockquote>\n<p>[396]<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=416\">Schwegman &#8211; Vrouwengeschiedenis en de &#8216;gevestigde&#8217; geschiedwetenschap. Een ontmoeting<\/a><\/strong><\/p>\n<blockquote>\n<p>[Maar] geschiedenis is een terrein van kennis met een uiterst vormende waarde, en eveneens een aangename bezigheid; en een groot deel van wat we gemeenlijk Eruditie noemen, en zo hogelijk waarderen, is niets anders dan een vertrouwdheid met historische feiten. Het is aan geletterde mannen om hiervan een uitgebreide kennis te bezitten; maar ik moet het als een onvergeeflijke onwetendheid beschouwen van personen van welke sekse of stand dan ook, om niet met de geschiedenis van ons land vertrouwd te zijn, evenals met de geschiedenis van het oude GRIEKENLAND en ROME. Een vrouw kan zich gedragen met goede manieren, en zelfs enige levendigheid bezitten in haar geestelijke vermogens; maar als haar geest niet op deze wijze gestoffeerd is, is haar conversatie onmogelijk in staat om enigszins onderhoudend te zijn voor verstandige en bezonken mannen. Daar moet ik aan toevoegen, dat geschiedenis niet alleen een waardevol terrein van kennis is, maar ook de deur opent naar vele andere terreinen, en de stof verschaft voor de meeste wetenschap 1.<br \/>\nMet deze woorden, en nog vele meer, prees de Verlichte filosoof David Hume een vriendin de studie van de geschiedenis aan als de wetenschap die bij uitstek inzicht verschaft in de menselijke natuur. Maar welke rol zou die kennis van de geschiedenis moeten spelen in het leven van vrouwen? Min of meer gelijktijdig met zijn eigen History of England (1762 vlg.) verscheen het geschiedwerk van Catharine Macaulay over hetzelfde onderwerp en met dezelfde hoofdtitel2. De politieke visie van beide auteurs liep sterk uiteen, en bovendien bekende Hume jaloers<br \/>\nte zijn op het onmiddellijke succes van Macaulay&#8217;s geschriften. Al was hij fair genoeg om Macaulay als auteur serieus te nemen, hij had de geschiedkundig onderlegde vrouw vooral geportretteerd als interessante gesprekspartner voor mannen. Macaulay was niet alleen meer<br \/>\ndan dat, zij was iets anders: zij was een zelfstandige historica.&#8221;\n<\/p><\/blockquote>\n<p>Noot 1: Fragment geselecteerd uit D. R. Kelley, ed., Versions of history from antiquity to the enlightenment (New Haven-Londen, 1991) 459 (vert. JHB), ontleend aan David Hume, &#8216;Of the study of history&#8217; in: T. H. Green, T. H. Grose, ed., Essays: Moral, political, and literary (Londen, 1808).<br \/>\nNoot 2: Een beschouwing van Macaulay en Hume in een drietal parallelle vergelijkingen van een vrouwelijke en een mannelijke historicus, in N. Z. Davis, &#8216;History&#8217;s two bodies&#8217;, AHR, XCIII (1988) 1-30.<\/p>\n<p>[28]<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=417\">Velema &#8211; Homo mercator in Holland. Elie Luzac en het achttiende-eeuwse debat over de koophandel<\/a><\/strong><\/p>\n<p>Velema citeert eerst Pocock op bladzijde 429, met de inleiding: &#8220;De achttiende-eeuwse modernen konden niet of nauwelijks op oude en beproefde redenaties terugvallen. Zij zagen zich voor de taak gesteld een originele verdediging van de &#8216;homo mercator&#8217; te ontwerpen en deden dat op talloze manieren, die moeilijk onder een noemer te brengen zijn. Verenigd waren zij alleen in hun aanval op het klassiek republikeinse paradigma. In de woorden van Pocock:&#8221;<\/p>\n<blockquote><p>\nThe whole debate revolved around the paradigm of virtue, its overwhelming importance to most minds, and the great difficulty of finding an acceptable replacement for it. Those like Montesquieu, Gibbon, or Hamilton, who think a replacement has been found, can be heard saying so; those like Mandeville and Hume, who negate the value of the original ideal, can be heard negating it<strong>8<\/strong>.\n<\/p><\/blockquote>\n<p>noot 8: J.G.A. Pocock, &#8216;The Myth of John Locke and the Obsession with Liberalism&#8217; in: R. Ashcraft en J.G.A. Pocock, ed., <em>John Locke<\/em> (Los Angeles, 1980) 17.<\/p>\n<p>En daarna: <\/p>\n<blockquote><p>\nHet hier geschetste beeld zou de indruk kunnen wekken dat de achttiende-eeuwse verdedigers van de commercie zich aan een ongekwalificeerd optimisme overgaven. Niets was echter minder waar. De theoretische verwerking van de snelle veranderingen was een moeizaam proces. Hume, een in tal van opzichten uiterst modern denker, was geobsedeerd door het probleem van de staatsschuld<strong>13<\/strong>. Smith, vaak voorgesteld als de apostel van het &#8216;laissez-faire&#8217; beginsel, zag de grote nadelen van economische specialisatie scherp in. Zijn beschrijving van de verwording van de mens in een stelsel van verregaande arbeidsdeling is onthullend in dit opzicht<strong>14<\/strong>. Weelde werd door vele modernen tot op zekere hoogte als noodzakelijk aanvaard, maar niet ongelimiteerd<strong>15<\/strong>. Montesquieu schreef weliswaar dat de handel de zeden verbeterde, maar hij voegde daar meteen aan toe: &#8216;Le commerce corrompt les moeurs pures&#8217;. De grootste bewondering bleef hij zijn leven lang voor de klassieke, deugdzame republieken houden<strong>16<\/strong>. Deze voorbeelden tonen hoe zwaar het zelfs de vindingrijkste denkers viel ondubbelzinnig voor de moderne wereld te kiezen. Voor velen bleef het zuivere, klassieke republikanisme op de achtergrond aanwezig, al was het alleen maar als een stem van het geweten.\n<\/p><\/blockquote>\n<p>noot 13: Pocock, Machiavellian Moment, 496-497; D. Miller, <em>Philosophy and Ideology in Hume&#8217;s Political Thought <\/em>(Oxford, 1982) 131-132. Zie voorts: J. Moore, &#8216;Hume&#8217;s Political Science and the Classical Republican Tradition&#8217;, <em>Canadian Journal of Political Science<\/em>, X (1977) 809-839.<\/p>\n<p>noot 14: A. Smith, <em>Art Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations<\/em>, R.H. Campbell, A.S. Skinner en W.B. Todd, ed. (2 dln.; Oxford, 1979) II, 782. Voor Smiths verhouding tot het klassieke republikanisme: D. Winch, <em>Adam Smith&#8217;s Politics. An Essay in Historiographic Revision<\/em> (Cambridge, 1978).<\/p>\n<p>noot 15: J. Sekora, Luxury. <em>The Concept in Western Thought from Eden to Smollett<\/em> (Baltimore en Londen, 1977) 63-131.<\/p>\n<p>noot 16: <em>Oeuvres Compl\u00e8tes<\/em>, II, 585. N.O. Keohane, <em>Philosophy and the State in France. The Renaissance to the Enlightenment<\/em> (Princeton, 1980) 392-419. Een weinig succesvolle poging tot een volstrekt moderne lezing van Montesquieu is M. Hulliung, <em>Montesquieu and the Old Regime<\/em> (Berkeley, etc, 1976).<\/p>\n<p>[430-431]<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Ankersmit &#8211; Blauwdruk van Blauwdrukken (2002) R. de Schryver &#8211; Tussen literatuur en wetenschap (1972) Chris Lorenz &#8211; Het vergeefse zoeken naar zekerheid (1988) J. G. A. Pocock &#8211; Spinoza and Harrington: An Exercise in Comparison (1987) De Schryver over de nieuwe AGN (1986) Schwegman &#8211; Vrouwengeschiedenis en de \u02bbgevestigde\u02bc geschiedwetenschap. Een ontmoeting (1994) Velema [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[20],"tags":[112,134,106,54,129,135,133,128],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/408"}],"collection":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=408"}],"version-history":[{"count":7,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/408\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":419,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/408\/revisions\/419"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=408"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=408"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=408"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}