{"id":337,"date":"2009-01-19T11:35:19","date_gmt":"2009-01-19T09:35:19","guid":{"rendered":"http:\/\/hume.doesntexist.org\/\/?p=337"},"modified":"2009-01-20T16:36:58","modified_gmt":"2009-01-20T14:36:58","slug":"literatuur-over-tijdschriften","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/?p=337","title":{"rendered":"Johannes over tijdschriften"},"content":{"rendered":"<p><a href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?attachment_id=365\">Johannes over de rol van tijdschriften tijdens de Verlichting<\/a> in BMGN, 1996. <?php echo wp_get_attachment(365); ?><\/p>\n<p>Lange tijd was de gangbare gedachte dat de Verlichting aan Nederland voorbij was gegaan, een gedachte die al stamde uit de late Verlichting zelf, waar menig commentator treurde over de deplorabele geopolitieke, wetenschappelijke en culturele prestaties van de Republiek.<\/p>\n<p>Sinds enkele decennia <span style=\"color: #008080;\">(twee of drie lijkt me, wie is er ook alweer mee begonnen?)<\/span> is het &#8216;vervals&#8217;perspectief, zoals Johannes het noemt, verlaten. In plaats daarvan wordt getracht om de aard van de Nederlandse Verlichting te duiden.<\/p>\n<p>Simon Schama en Wijnand Mijnhardt geven de Verlichting in Nederland een gematigd, weinig verheffend karakter. Maar Mijnhardt geeft hieraan nog een draai dat we op het algemene vlak &#8211; dus niet wetenschappelijk of politiek-radicaal, maar meer in de breedte, de basis &#8211; prima meekwamen en betrokken waren met ontwikkelingen in het buitenland. Met name de verlichte publieke opinie wijzen op een eigen Verlichte cultuur, met een &#8211; aldus Schama en Mijnhardt &#8211; gematigd-encyclopedische karakter.<\/p>\n<p>De kritiek op deze opvatting, afkomstig van o.a. Niek van Sas, M. C. Jacob en Hanou, met verwijzingen naar de heftige politieke debatten in de Patriottentijd en de radicale denkbeelden uit de buurt van de vrijmetselaars en de Kantiaanse kring rond Kinker, lijkt voort te komen uit &#8216;een zekere emotionaliteit&#8217; [151]. Er wordt omgegaan met het gematigde karakter alsof het iets vies is. Iets waarvoor je je als landje moet schamen, aldus Johannes.<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p>Hij wil daarom laten zien dat de Verlichtingscultuur in Nederland ruimte bood aan deze verschillende verschijningsvormen van de Verlichting, aan de hand van de interactie tussen de ontwikkelingen in de Verlichte infrastructuur en de ontwikkelingen in de idee\u00ebn. Hij laat daarbij de vragen of Nederland voorlijk of achterlijk was in de Verlichting, in zichzelf gekeerd of naar buiten toe,  achterwege, omdat die zijns inziens niet werkelijk beantwoord kan worden. [151]<\/p>\n<p>Ge\u00efnspireerd door Duits onderzoek (Raabe, Sgard, Kirchner), beschrijft Johannes de rol van tijdschriften als tweeledig. Als historische bron staan ze ons toe om naar de idee\u00ebn te kijken van die tijd, als spiegel van de Verlichting, en anderzijds om te zien dat ze de Verlichting ook aanzwengelden, als motor. Tijdschriften worden vergeleken met genootschappen <span style=\"color: #008080;\">&#8211; onderzocht door Mijnhardt? &#8211; <\/span> die ook zowel verzamelpunt als forum waren &#8220;waar Verlichtingscultuur gestalte kon krijgen&#8221;<\/p>\n<p>Tijdschriften fungeerden als motor doordat ze:<\/p>\n<ul>\n<li> snelle communicatie tussen denkers mogelijk maakten<\/li>\n<li> kwaliteitsverhogend werkten<\/li>\n<li> specialisatie bevorderden<\/li>\n<li> wanneer het om algemene tijdschriften ging informatie, amusement en opinie verschaften, en de &#8216;algemene reflectie&#8217; hiermee faciliteerden<\/li>\n<li> nieuwe groepen lezers aanboorden in <em>special interest<\/em>-blaadjes, zoals huisvrouwen of kinderen<\/li>\n<\/ul>\n<p>[152]<\/p>\n<p>Onderzoek uit het buitenland heeft een enorme groei gesignaleerd in de laatste decennia van de 18e eeuw. De indruk dat het ook in Nederland zo ging, wordt gewekt door Mijnhardts <em>Over de consumptie van cultuur<\/em> als J. Stoutens &#8220;Verlichting in afleveringen: over tijdschriften in de achttiende eeuw&#8221; in: M. Spies, ed., <em>Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening<\/em> (Groningen, 1984) 118. Systematische gegevens ontbreken echter om een (met de rest van nw-europa vergelijkbare) explosieve groei, differentiatie en specialisatie van tijdschriften in de laatste decennia in Nederland vast te kunnen stellen. Wel is er, aldus Johannes, &#8220;al aardig wat speurwerk verricht&#8221; [151] en worden we verwezen naar <em>De barometer van de smaak<\/em> voor een lijstje in hoofdstuk 1, noot 9 t\/m 12.<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p>\u00c2\u00a0Johannes&#8217; terreinverkenning is tweedelig: eerst maakt hij een kwantitatieve analyse aan de hand van aantallen periodiekttitels, in een bestand van de Koninklijke bibliotheek. Daarna maakt hij een inhoudelijke verkenning door de zogeheten &#8216;voortgangsberichten&#8217; of voorwoorden.<\/p>\n<p>Uit een korte analyse blijkt dat, wanneer we kijken naar periodieken, slechts 46% van de titels, en slechts 21 % van de totale exemplaren tijdschriften waren &#8216;in eigenlijke zin&#8217;. Niet alleen waren de tijdschriften dus vaak geen lang leven beschoren, ook hadden ze concurrentie van  almanakken\/jaarboeken, genootschapsreeksen, naamlijsten, overheidsbesluiten en kranten. [156]<br \/>\nDe Duitse tijdschriftenmarkt was ongeveer 10 x zo groot, en ook de Franse en Engelse waren vele malen groter, vermoedt Johannes.<\/p>\n<p>Inhoudelijk constateert Johannes dat de mate van specialisering beperkt blijft: pas rond 1820 komen de eerste echt gespecialiseerde (medische \/ natuurwetenschappelijke) tijdschriften op, en dan is het nog langer wachten op jeugd, muziek en andere cultuur, landbouw-bladen.<\/p>\n<p>Er is strijdvaardigheid te lezen in de voorwoorden van de vele pogingen tot specialistische tijdschriften, een soort hardnekkigheid, maar tegelijkertijd ziet Johannes ook een trend waarbij zelfs deze tijdschriften proberen alles te bieden aan iedereen, het &#8216;totaaltijdschrift&#8217; te zijn, zoals hij het noemt. [158]<\/p>\n<p>Algemeen-zijn was een overlevingsstrategie voor tijdschriften, en er werd bijna altijd amusement aangeboden om het geheel nog beter te verteren te maken.<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p>Waar eerst de opkomst van de volkstaal ter vervanging van het wetenschappelijk latijn nog voor goede zaken zorgde omdat de drukkers in de Republiek ook de Franse markt konden bedienen, was de uitbreiding van de tijdschriftenmarkt in Frankrijk zelf oorzaak van een slechter wordende positie van deze drukkers. Verwijst naar een bundel van Berkvens-Stevelinck, <em>Le magasin de l&#8217;univers<\/em> waarin de situatie in de eerste helft van de 18e eeuw staat beschreven &#8211; die nu dus voorbij was.<br \/>\nBovendien, vervolgt Johannes,<\/p>\n<blockquote><p>&#8220;bleek nu dat die Nederlandse functie van produktie- en<br \/>\ndistributiecentrum voor buitenlandse culturele en wetenschappelijke produkten niet automatisch een volledige integratie van die produkten in de eigen, nationale ontwikkeling van wetenschap en cultuur hadden betekend.&#8221;<\/p><\/blockquote>\n<p>[159]<\/p>\n<p><strong>Gevolgen van en voor de kleine Nederlandse tijdschriftenmarkt:<\/strong><\/p>\n<ul>\n<li>Jaloers kijken de eind-achttiende-eeuwers (1770-1830) vanuit het vervalsperspectief naar de tierig welende tijdschriftencultuur met haar vele specialistische blaadjes bij de buren. In plaats van de kleine markt de schuld te geven, werd het gebrek aan mensen die een abonnement namen gezien als een teken van het weinig-Verlicht zijn van het publiek.<\/li>\n<li>Johannes bepleit dan ook de stelregel: als het taalgebied 10 keer zo klein is, is de afzetmarkt ook 10 keer zo klein, iets dat in zijn ogen door veel historici vergeten is. Vervolgens is het veel moeilijker om te differenti\u00ebren wanneer er maar zo weinig tijdschriften zijn. [160]<\/li>\n<li>Er was een gebrek aan auteurs omdat er minder geld beschikbaar was. Als er sprake was van succes dan was dat op <em>hit and run basis<\/em>. Het aantal broodschrijvers was laag. Het waren meer scharrelaars dan professionals, alleen <a title=\"Zoeken op ta 'VLO&quot;\" href=\"http:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/index.php?tag=vlo\" target=\"_self\">VLO<\/a> had een betaalde redacteur<\/li>\n<li>het maakte dat (gratis) actieve participatie erg belangrijk werd geacht, nog een reden om het algemeen te houden &#8211; meer potenti\u00eble auteurs. Hoewel het streven naar deze participatie natuurlijk mooi klinkt in het licht van de bredere Verlichting, zorgde het er ook voor dat de algemene tijdschriften een allegaartje werden<\/li>\n<p>\u00c2\u00a0<\/ul>\n<p>Johannes suggereert dat het &#8216;jammer&#8217; is dat er geen manieren voorhanden bleken om het probleem van de kleine markt op te lossen &#8211; omdat NL zo had kunnen compenseren voor het ontbreken van een (in een hoofdzakelijk burgerlijke maatschappij zeldzame) hofcultuur waarbij mecenaten Verlichters ondersteunden.<\/p>\n<p>De vervalsmopperaars zagen niet dat een klein land minder mogelijkheden heeft op tijdschriftgebied, maar zagen slechts een &#8216;minder Verlicht&#8217; volk. Er werd dus gezocht naar een manier om de Verlichting aan de man te brengen, waarvoor in het buitenland de tijdschriften alsnog werden ingezet &#8211; door andere doelgroepen aan te spreken met specialistische bladen. Dat werkte vanzelfsprekend niet zo goed in NL.<br \/>\n&#8220;Het verval, zo luidde de cirkelredenering al snel, was reeds zover voortgeschreden dat ook de meest nobele, moedige en ijverige pogingen om het te bestrijden wel moesten falen&#8221; [162]<\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong>Conclusies<\/strong><\/p>\n<ul>\n<li>De tijdschriften kunnen geen afspiegeling zijn van de belangstelling van de burgers, omdat het publiek te klein was voor veel gespecialiseerde bladen. De kosmopolitische instelling van de Hollanders &#8211; ze konden ook buitenlandse bladen lezen &#8211; droeg hieraan natuurlijk niet bij.<\/li>\n<li>&#8220;De controverses over het karakter van de NederlandseVerlichting, die ik in het begin van dit artikel schetste, zijn mogelijk mede te verklaren uit dergelijke kleinschaligheidsfenomenen.&#8221; [163]<\/li>\n<li>Dat er relatief gezien zoveel meer praktische theologie in tijdschriften terugkomt dan hardcore filosofie heeft ook te maken met het liefhebbers-schrijven-voor-andere-liefhebbers-principe. Met name predikanten waren &#8211; dankzij hun beroep &#8211; bij uitstek geschikt om in hun vrije tijd te schrijven voor tijdschriften, en dus bleef het bij praktische theologie, en was fundamentele filosofie nauwelijks onder de aandacht.<\/li>\n<li>Johannes suggereert dat zelfs misschien in de befaamde Nederlandse tolerantie een oorzaak mag worden gezien van het in stand blijven van die paar niet-zulke goede algemeen-culturele tijdschriften. Alles kon, want het blad moest worden gevuld.<\/li>\n<li>Noemt voorbeelden van Van Marum (natuurwetenschapper, verwijzend naar Mijnhardt), de vele politieke publicaties in patriottentijd (verwijzend naar Van Sas en H. de Lange), de radicale discussies op religieus, filosofisch en levensbeschouwelijk terrein (verwijzend naar de eerdere verwijzingen naar M. C. Jacob en Hanou)  om te bewijzen dat er wel degelijk specialisten aanwezig waren in de Republiek&#8230;. maar het bleef bij incidenten &#8211; wederom deels door de kleinschaligheid[164]<\/li>\n<li>illustreert de mis\u00e8re met het voorbeeld van de politieke tijdschriften, die vaak zo snel na hun oprichting weer verdwenen dat de censuur en repressie &#8211; die vaak wordt aangehaald om hun verdwijning te verklaren &#8211; niet eens de tijd had om ingezet te worden. ook na het vertrek van de Fransen verdwijnen ze nog altijd als sneeuw voor de zon.<\/li>\n<li>betwijfelt of de bovengenoemde tijdschriften door hun korte levensduur wel werkelijk die &#8216;bindende kracht&#8217; kunnen zijn geweest binnen de verschillende facties.<\/li>\n<li>de toenemende politisering beperkte bovendien nogmaals de beschikbare lezers- \u00e9n schrijversaantallen: een politieke analyse van de tegenstander koop je niet. en ook schreef je er niet voor als &#8216;mede-helper&#8217;.<\/li>\n<li>de late terugkeer van het politieke tijdschrift (na 1830) schrijft Johannes dan ook het liefst toe aan de algemene trend dat specialisatie toen mogelijk begon te worden<\/li>\n<li>algemeen culturele tijdschriften moesten hun boodschap makkelijker maken en niet te controversieel, deels wellicht vanuit Verlichte beleefdheid, maar ook om zichzelf commercieel niet in de vingers te snijden.<\/li>\n<\/ul>\n<p>Waar het tijdschrift als spiegel misschien geen goed beeld geeft van de mate van Verlichting in de Republiek en daarna, ontkomt ook Johannes niet aan de conclusie dat de kleinschaligheid voor die andere functie, de motor-functie geen fijne invloed heeft gehad.<\/p>\n<p>Interessante observatie van Johannes vervolgens:<br \/>\n&#8220;Door de afwezigheid van bepaalde typen nieuwe bladen konden de bestaande tijdschriften vervolgens hun rol als spiegel alsnog waarmaken, maar dan op indirecte wijze: naarmate de achttiende eeuw voortschreed,<br \/>\nbegon de Nederlandse Verlichting soms verbazend veel op haar eigen tijdschriften te lijken.&#8221; [165]<\/p>\n<p>De voorkeuren pasten zich er ook op aan: theorievorming vond weinig plaats en werd al gauw tot systeemdwang gebombardeerd. Niet-te-diepgravend was een cultuurspreidende deugd.<\/p>\n<p>Natuurlijk waren dat ook deugden, besluit Johannes, maar het blijft moeilijk om te accepteren dat wij rond 1800 niet meer waren zoals de rest, zoals we zelf waren, en dat dat geen schande is. <span style=\"font-family: mceinline;\">Ook Johannes heeft het er moeilijk mee.<\/span><\/p>\n<p><!--nextpage--><\/p>\n<p><strong>Andere literatuur:<\/strong><\/p>\n<p>W. W. Mijnhardt, &#8216;Veertig jaar cultuurbevordering: Teylers Stichting 1778-1815&#8217;, in: &#8216;Teyler&#8217; 1778-1978 (Haarlem-Antwerpen, 1978) 58-111 <\/p>\n<p>W. W. Mijnhardt, &#8216;De Nederlandse verlichting&#8217; in: F. Grijzenhout, e. a., ed., <em>Voor vaderland en vryheid. De revolutie van de patriotten<\/em> (Amsterdam, 1987) 53-79.<\/p>\n<p>W. W. Mijnhardt, <em>Tot heil van &#8217;t menschdom. Culturele genootschappen in Nederland 1750-1815<\/em> (Amsterdam, 1988)  <\/p>\n<p>W. W. Mijnhardt, <em>Over de consumptie van cultuur<\/em> (Oratie UU, Utrecht, 1992).<\/p>\n<p>N. C. F. van Sas, &#8216;Drukpers, politisering en openbaarheid van bestuur in de patriottentijd. Enkele kanttekeningen&#8217;, in: S. Th. M. van der Zee, e. a., ed., 1787. <em>De Nederlandse revolutie<\/em> (Amsterdam, 1988) 174-184<\/p>\n<p>N. C. F. van Sas, &#8216;Opiniepers en politieke cultuur&#8217;, in: F. Grijzenhout, e. a., ed., <em>Voor vaderland en<br \/>\nvryheid. De revolutie van de patriotten<\/em> (Amsterdam, 1987) 97-130.<\/p>\n<p>A. J. Hanou, <em>Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting in de<br \/>\nvrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845<\/em> (Deventer, 1988) 52-65; <\/p>\n<p>A. J. Hanou, &#8216;De literator als politiek commentator. Het geval: JANUS (1787)&#8217;, Spektator, XIX (1990) 35-72.<\/p>\n<p>M. C. Jacob &#8220;Radicalism in the Dutch Enlightenment&#8221;, in: M. C. Jacob en W. W. Mijnhardt, ed., <em>The Dutch republic in the eighteenth century. Decline, enlightenment and revolution<\/em> (Ithaca-Londen, 1992) 224-240.<\/p>\n<p>J. Stouten, &#8216;Verlichting in afleveringen: over tijdschriften in de achttiende eeuw&#8217;, in: M. Spies, ed., <em>Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening<\/em> (Groningen, 1984) 118.<\/p>\n<p>C. Berkvens-Stevelinck, e. a., \u00e9d., Le magasin de l&#8217;univers. The Dutch republic as the centre of the<br \/>\nEuropean book trade (Leiden, 1992).<\/p>\n<p>G. J. Johannes, <em>De barometer van de smaak. Tijdschriften in Nederland<br \/>\n1770-1830<\/em> (Den Haag, 1995).<\/p>\n<p><em>Een verdeelde Verlichting : stemmen uit de spectators<\/em><br \/>\nSturkenboom, Doroth\u00e9e \/ Athenaeum-Polak &amp; Van Gennep \/ 2001<\/p>\n<p> Buynsters&#8217; <em>Spectatoriale geschriften<\/em> (Utrecht, 1991)<br \/>\n313: 05.33 B 026 in het bushuis<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Johannes over de rol van tijdschriften tijdens de Verlichting in BMGN, 1996. Lange tijd was de gangbare gedachte dat de Verlichting aan Nederland voorbij was gegaan, een gedachte die al stamde uit de late Verlichting zelf, waar menig commentator treurde over de deplorabele geopolitieke, wetenschappelijke en culturele prestaties van de Republiek. Sinds enkele decennia (twee [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[20],"tags":[112,125,126,123,124,64,122,110,111],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/337"}],"collection":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=337"}],"version-history":[{"count":15,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/337\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":400,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/337\/revisions\/400"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=337"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=337"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=337"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}