{"id":1782,"date":"2010-07-21T22:14:28","date_gmt":"2010-07-21T20:14:28","guid":{"rendered":"http:\/\/hume.doesntexist.org\/?p=1782"},"modified":"2011-01-19T00:25:06","modified_gmt":"2011-01-18T22:25:06","slug":"van-goens-en-zijn-kring-hume-in-wille-1937","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/?p=1782","title":{"rendered":"Van Goens en zijn Kring: Hume in Wille (1937)"},"content":{"rendered":"<p>126n:<\/p>\n<p>Perrenot citeert &#8220;met instemming vaak Formey, Jarriges, Merian, Sulzer, Lock, Hume, en dgl. &#8211; in het stolpiaansch legaat (verzameld in 1766) maar uitgegeven in 1764 op de vraa &#8220;Welke zijn de eigenschappen, dewelke uit het bestaan van een noodzaaklijk wezen noodzaaklijk voortvloeien?&#8221;<\/p>\n<p>253. Hume aanbevelend in de &#8216;Animadversiones&#8217; in zijn uitgave van Porphyrius&#8217; <em>De antro Nympharum<\/em><\/p>\n<p><iframe frameborder=\"0\" scrolling=\"no\" style=\"border:0px\" src=\"http:\/\/books.google.com\/books?id=BVtbAAAAQAAJ&#038;dq=van%20goens%20porphyrius&#038;pg=PA118&#038;output=embed\" width=500 height=500><\/iframe><\/p>\n<p>265: en op 29 september 1766 gehouden <a href=\"http:\/\/books.google.com\/books?id=gQ6zjODmhKYC\">oratie <em>De incrementis, quae humaniores literae, HISTORIAE inprimis et LINGAUE GRAECAE stuidum, seculo hoc decimo octavo ceperunt.<\/em><\/a><br \/>\nWille [pagina 264]: &#8220;Een merkwaardige redevoering. Een overzicht gevend van resultaten richtingen van historische wetenschap en klassieke philologie van dien tijd, dat voor ons nog als in hoofdzaken juist kan gelden. Met een soms onvoorzichtige vrijmoedigheid in het aanprijzen van het nieuwe, en een optimistische vreugde aan de cultuur van het heden en de toekomst. Het alles voorgedragen met de beslistheid van een veteraan der wetenschap. Lofverzen, als bij Tydeman, had hij niet noodig; hij sprak voor zich zelf.&#8221;<\/p>\n<p>En dan over waar hij Hume noemt:<\/p>\n<p>&#8220;Hume, reeds bekend door zijn wijsgeerige werken, nu onserfelijk beroemd door de geschiedenis van zijn vaderland: klassiek auteur voor de Britten, herschepper hunner taal.&#8221; -> maar het lijkt erop dat er wel wat meer staat dan dat:<\/p>\n<p> &#8220;maiorem sibi telam detexendam sumpsit Humius, qui postquam variis iam disputationibus maxime philosophicis, orbi erudto innotuerat, consilium cepit patris res posteritatis memoriae tradere. Egregium profecto institutum, unde tot magni viri inmortalem nominis famam sibi pepererunt! Et cuius memoria gratior debet esse posteris, quam eius qui tam isigni beneficio patriam sibi obstrinxit? Feliciter peritissimo viro praeclarum cessit consilium, nec minus Britannia se iactat Humio, quam Roma Livio aut Gallia Thuano. Ac quemadmodum primus forte inter Romanos Livius veram orationis historicae subtilitatem adsecutus est, ita Humium Britanni non solum elegantissimum reum suarum praeconem, sed &#038; instauratorem patrii sermonis &#038; scriptorem velut classicum mirantur.<br \/>\nPost Humium quem rectius commendemus, quam historicum nostrum, Wagenarium?&#8221;<\/p>\n<p><iframe frameborder=\"0\" scrolling=\"no\" style=\"border:0px\" src=\"http:\/\/books.google.com\/books?id=gQ6zjODmhKYC&#038;dq=van%20goens%20de%20incrementis&#038;pg=PA13&#038;output=embed\" width=500 height=500><\/iframe><\/p>\n<p>In het deel over Van Goens als Hoogleeraar, beginnend met zijn godsdienst- wereld- en levensbeschouwing blijkt de oorspronkelijk orthodoxe Van Goens de verkeerde vrienden te zoeken [blz273] komt Hume, samen met Voltaire en Rousseau gelijk als &#8216;bedenkelijk gezelschap&#8217; uit de bus, waar Van Goens zowel in het bovengenoemde Porphyrius als zijn <a href=\"http:\/\/books.google.com\/books?id=ebmDHAAACAAJ\">Observationes<\/a> &#8216;contact mee zocht&#8217;.<\/p>\n<p>Maar, tot vreugd&#8217; van Wille waarschijnlijk, lezen we op bladzijde 313 dat het zo&#8217;n vaart niet liep:  &#8220;De Wijsgeerige consequenties van Hume vonden ten slotte bij Van oens toch geen instemming. Juist de reactie daartegen in de zoogenaamde Schotsche School van Reid, Beattie, Oswald, was meer naar zijn smaak: de philosophie van den &#8220;<em>Common Sense<\/em>&#8220;, nauw verwant met ethische en aesthetische principes als die van Lord Kames. Een leerling van Van Goens wordt door hem geholpen in het vertalen van Beatties <em>Essay on the nature and immutability of truth in opposition to sophistry and scepticism<\/em> [313]<\/p>\n<p>Ook de Biblioth\u00e8que des Sciences &#8220;gaf in 1767 reeds een uitvoerig uittreksel uit Reid&#8217;s <em>Inquiry into the human mind on the principles of common sense<\/em><\/p>\n<p>Komt vanaf bladzijde 327 over De Pinto te spreken: &#8220;De\u00efst en groot bewonderaar van Voltaire nam De Pinto ook deel aan de godsdienstig-wijsgeerige en ethische vragen van zijn tijd. in verschillende talen las men zijn Opstel over de Weelde, zijn Brief (aan Diderot) over het Kaartspel; in 1774 verscheen zijn <em>Precies des Arguments contre les Mat\u00e9rialistes<\/em><\/p>\n<p>Niet alleen de Pinto, maar ook wolff en deken, en Hennert zijn binnen de kring tegen het materialisme [blz 327], tegen het de\u00efsme is men (noemt perponcher, schultens, hennert, wolff, petsch, perrenot, goodricke, van goens, hesterhuis, de pinto, ten hove) ook wel, maar de \u00e9\u00e9n veel minder sterk en minder gemoedigd dan de ander&#8221;.<\/p>\n<p>blz 331: <\/p>\n<p>Schrijft dat Medenbach Wakker aan Tydeman schrijft &#8220;over zekeren K. die zich betert en niet zoo kwaad is als zijn naam; over M&#8230;.. een goed vriend, bij wien de zeden geen gevaar lopen, [en] vervolgt &#8220;de Religie vind ik niet, dat vriendschap breken moet; met een De\u00efst egter zou ik geen vriendschap kunnen oefenen&#8221; De\u00efsten, dat waren zulken als Bolingbroke, Toland, Hume, Diderot, Voltaire, die alle godsdienstig gevoel schenen te missen, en van alle godsdienstige traditie zich hadden losgemaakt. Geheel ongelijk hadden zij wel niet, maar zij maakten het veel en veel te erg.&#8221;<\/p>\n<p>Wille gaat verder met het analyseren voor de ontvangst van de\u00efstische idee\u00ebn, vertellend dat er maar weinig naar het nederlands werd vertaald, veel meer naar het Frans (329n)<\/p>\n<p>331n Nuys Klinkenbergs <em>De Christen<\/em> was een anti-de\u00efstisch tijdschrift.<br \/>\n:<\/p>\n<p>vooral de aandacht voor voltaire krijgt hier veel ruimte, maar ook Hume:<\/p>\n<p>332 &#8211; over de vertalingen in de Philanthrope, en de wijze waarop de vertaaler stukken voor &#8220;de Landaard&#8221; geschikt had gemaakt, te merken aan zijn vertaling van Micromegas -> in Wille&#8217;s analyse betekent dit &#8220;dat de man allen geest doofde, en elke pointe afbrak, om het zijn lezers egrijpelijker te maken en hn mogelijke ergernissen te besparen;<br \/>\n333 &#8211; Wolffs Willem Leevend-verwijzing en de opmerking dat voltaire een geniaal dichter en boeiend (hoewel niet betrouwbaar) historicus was, maar hij was een verderfelijk philosoof en verachtelijk mens, steeds sterker (Ghijsen schrijft over haar, 109, 223)<\/p>\n<p>Mennoniet P. Loosjes vertaalde twee werken tegen Voltaire uit het Engelsch. Van Mickles Voltaire onder de schimmen en Findlays Verdediging der Heilige schriften.<\/p>\n<p>344\/345 over ene <a href=\"http:\/\/de.wikipedia.org\/wiki\/Heinrich_Wilhelm_Bachmann\">Bachmann<\/a> die hem vanuit Maagdenburg op 5 april 1767 bericht dat men daar het volgende dacht over het conflict Hume-Rousseau: &#8220;beiden hebben ongelijk, maar den ouden, eenzamen, vervolgden, bijna [blz 345] misanthropen J. J. verontschuldigt men, niet echter den man van de wereld H., die zijn ouden vriend zoo ombarmartige neertrapt, &#8221;<\/p>\n<p>Ook ene Chotek schrijft over Rousseau na een bezoek 17-870<\/p>\n<p>Dan op bladzijde 407n een geniale beschrijving van Boswell, (met onder andere de opmerking dat hij Hume Voltaire en Rousseau volgt, maar als het gaat om godsdienst zich veilig afzijdig houdt) eindigend met &#8220;Verkwister van tijd, geld gezondheid, aanleg; speler, drinker, hoereerder; huichelaar, weekeling zot. Met een uithangbord van wereldverbeteraar, wijsgeer, zedemeester. Een weerzinwekkend personage. &#8221;<\/p>\n<p>en dan op bladzijde 464 opnieuw een verwijzing naar Bachmann over die twist.<\/p>\n<p>DEEL TWEE:<\/p>\n<p>blz144: <\/p>\n<p>Over Marten Schagen, mennonitisch uitgever.<\/p>\n<p>&#8220;Maarten Schagen begint in 1732 zijn Vermakelijkheden. Voor de samenstelling zegt hij voornamelijk te raadplegen: Biblioth\u00e8que brittanique,  Biblioth\u00e8que germanique en haar vervolg.  Biblioth\u00e8que raisonn\u00e9e, Journal des Savants, Journal litt\u00e9raire 1713-1737; the Gentlemans Magazine, the State of letters en het vervolg the Works of the Learned;  (van de la Croze), de Acta Eruditorum Lipsieusium; de Boekzaal en de Rep der Gel. &#8220;Behalve wetenschappelijke verhandelingen en uittreksels uit het Frans, Engels en Duits, geeft hij ook maandelijks een overzicht der belangrijkste nieuwe werken in die talen verschenen. &#8221; <\/p>\n<p>146: noemt Hume als voorbeeld van verbreding van het spectrum aan recensies bij de Boekzaal. <\/p>\n<p>150: inleiding van de twee deel van de Nb over &#8217;t hoofd gezien? nope, is recensie van Truth<\/p>\n<p>&#8220;maar dat &#8220;de groote Leibnitz&#8221;er  met Spinoza Hobbes een Hume gelijkgesteld wordt; hindert dat &#8220;een rousseau al mede onder de Zedelijke Schrijves (&#8230;) wordt opgesteld, uit welke men wijsheid kan leeren, die het lhart doet opspringen van vreugde&#8221;, ergert de recensent.<\/p>\n<p>168: <\/p>\n<p>laatste deel van Rhapsodist heeft een levensbeschrijving van Rousseau, waar het ook over de ruzie met Hume gaat. (rhapsodist is vluchtig ingekeken, maar niet alle delen)<\/p>\n<p>218: hume wordt weliswaar aangehaald, en pope, maar niet de de engelse taal maar de duitse<br \/>\nletterkunde is vol met belofte. aldus van Goens &#8216;Sans Fard&#8217; &#8211; > verwijzing naar bedenkingen. Zelfde interessante stuk over &#8216;studie van het hart en van het vernuft&#8217; genoemd.<\/p>\n<p>vanaf 293 hele stuk over Van Goens&#8217; Mendelszoon-vertaling.<\/p>\n<p>392: van alphen met van goens mee &#8220;het is telkens of men Van Goens leest&#8221;<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>126n: Perrenot citeert &#8220;met instemming vaak Formey, Jarriges, Merian, Sulzer, Lock, Hume, en dgl. &#8211; in het stolpiaansch legaat (verzameld in 1766) maar uitgegeven in 1764 op de vraa &#8220;Welke zijn de eigenschappen, dewelke uit het bestaan van een noodzaaklijk wezen noodzaaklijk voortvloeien?&#8221; 253. Hume aanbevelend in de &#8216;Animadversiones&#8217; in zijn uitgave van Porphyrius&#8217; De [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[25,20],"tags":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1782"}],"collection":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1782"}],"version-history":[{"count":8,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1782\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1892,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1782\/revisions\/1892"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1782"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1782"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1782"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}