{"id":1742,"date":"2010-07-15T18:40:55","date_gmt":"2010-07-15T16:40:55","guid":{"rendered":"http:\/\/hume.doesntexist.org\/?p=1742"},"modified":"2010-07-16T21:25:48","modified_gmt":"2010-07-16T19:25:48","slug":"jan-bouwer-over-kennis-van-god-zonder-god","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/?p=1742","title":{"rendered":"Jan Brouwer over kennis van god, zonder god."},"content":{"rendered":"<p>[uit de serie Verhandelingen van Teylers, 1796]<\/p>\n<p>JAN BROUWER (dit keer de GOUDEN EERPENNING)<\/p>\n<p>VERHANDELING OVER DE VRAAG: KAN MEN MET GROND BEWEEREN, DAT DE MENSCHEN IMMER, ALLEEN DOOR MIDDEL HUNNER EIGENE REDE OF REDEKAVELINGEN, ZONDER BEHULP VAN EENIG RECHTSTREEKS, OF MEER ONMIDDELYK GODLYK ONDERWYS TOT DE RECHTE DENKBEELDEN VAN GOD EN GODLYKE ZAAKEN ZOUDENHEBBEN KUNNEN KOMEN<\/p>\n<p>DOOR DEN EERWAARDEN HEER JAN BROUWER, LEERAAR DER DOOPSGEZINDE GEMEENTE, TE LEEUWAARDEN.<br \/>\nONDER DE SPREUK: Sunt certi denique fines: Quos ultra citroque nequit MENS cernere VERUM.<\/p>\n<p>HOOFDDEEL I. Onderzoek of eenig Mensch, by het enkel licht zyner Ree, rechte denkbeelden van God en godlyke zaaken, zoude mogen opvatten.<\/p>\n<p>[par] 1;<\/p>\n<p>Het geen de scharderste Wysgeeren van den al ouden tyd, en onder de meest beschaafde volkeren der wereld, geenzins, of ter naauwer noode (zoo men zulks liever wil,) bereikt hebben, dat ze zeker zoude het dwaasheid zyn van eenen onopgeleiden gantschelyk onbedreeven Mensch, hoedaanig hy zich in den staat der natuure voordoet te verwachten. Men zondere den sterveling af van alle zaamenleeving, men onderstelle, dat hy buiten alle Maatschappelyke betrekking, en in het diepste der woestenyen, op welke wyze ook, groot geworden zy; deeze, of schoon men aan Hem het verstand van eenen NEWTON toeschryve, zal zyn beleid moeten te koste leggen tot vervulling van den geduurigen eisch zyner behoeften, of tot najaaging van zyne ruwe en zinnelyke vermaaken: en, wat zoude aan hem, die als een onmondig kind zijn drift en lusten opvolgt, <em>aanleidinge<\/em> geeven konnen tot de beoeffening en inspanning zyner redelyke vermogens, of wel tot de vraage naar de onzichtbaare oorzaak van zyn bestaan, en der dingen buiten Hem aanwezig? (c) [noot op 14n dus: &#8220;(c) ROBERTSON Hist. de l&#8217;Ameriqe liv. IV. [par]. 7 &#038;c. Note 85. Verg. met Iselin Gesch. der Menschheid, D. I., B.II., inzonderheid. H. 8. 9. en 12. Hume The Nat. Hist. of Religion [par]. 6 &#8211; Vol. II. of the ESSAYS p. 459. en Montesquieu de l&#8217;sprit des Loix Liv. 1 Ch. 2.] Geen wonder ook is deeze volkomen onkunde, nadien volgens getuigenis der nieuwste wereldreizigers zelfs geheele volkeren in afgeleegen oorden des Aardkloots leeven, by wien geene denkbeelden altoos van eenige Godheid waaren op te spooren (d). [noot 2 op 14n dus: &#8220;(d) ROBERTSON als vooren, COOK en BOUGAINVILLE in hunne wereldreizen. &#8211; Volgens getuigenis van wylen den beroemden MANGER in de reeds aangehaalde STOLP: Verh. p. 124. Locke on Human Understanding B. I. Ch. 4. [par]. 8 zynde dit het Ch. 3 in de Fransche Vertaling en SPARRMAN a Voyage to the Cape of GOOD HOPE Vol. I.. p. 207. Verg. met HUME The Nat. Hist. of Religion, Introd. Vol. II. of the ESSAYS p. 433.<\/p>\n<p>[par] 3;<\/p>\n<p>De zodaanigen, die openlyk de hemelsche zendinge van Christus tegenspreeken en verwerpen, beweeren stoutelyk, dat de Reden alleen genoegzaam zy om den sterveling gezonde begrippen omtrent God en Godlyke zaaken in te boezemen, ja dat de meere verlichtinge, welke zich, na de verkondiging des Euangeliums, ten deezen aanzien onder de Christen Volkeren verspreid heeft, aan geen bovennatuurlyk onderwys is toe te kennen (f) [noot op 19n: &#8220;(f) TiNDAL Christianity as old as the Creation pag. 4. BONLINGBROKE volgens LELAND ter aangehaalde plaatze. ROUSSEAU EMILE Tom. III., Oeuvres Tom. VIII. p.110. (Amst. in 8vo.) HUME nochthands verschilt van de rest der Ongeloovigen, en stelt dat het der Reden meoyelyk zy, zich van de grond-waarheden van den godsdienst te overtuigen, het hierom daar voor houdende, dat het Deismus uit het Poletheismus gebooren wierd; welke stelling hy uit de geschiedenis inzonderheid te bewyzen zocht. The Natural History of Religion, Vol II. of his essays, and Treatises, Sect. VI.<\/p>\n<p>[par] 13;<\/p>\n<p>&#8220;Overtuigd van het onvermogen der menschelyke reden, om eene grondige kennis uit eigen bespiegeling, of onderzoek te verkrygen van de voornaamsgte Godsdienstige waarheden, ( Hoofd: I doorgaans ) bezeffende daarboven, dat wanneer ik al in dit gevoelen dwaalen mogt, die vereischte zekerheid niet, dan na verloop van eeuwen, en by eene gevorderde beschaafdheid, te erlangen zy; (t) [Nootje opnieuw naar een eerdere noot waarin naar de NHR wordt verwezen.] helde ik steeds over tot de onderstelling dat de weldaadige Oorzaak des Geheelals, reeds by de schepping van den mensch, en in de kindsheid der wereld, zich zelven, op hoedaanige wyze ook, geopenbaard heeft aan de eerste redenmagtige bewoonders der Aarde.&#8221;<\/p>\n<p>En een noot bij een stukje de onmogelijkheid om goddelijke openbaringen aan het adres van zeer oude volken met historisch onderzoek tot absolute zekerheden te verheffen &#8211; hoezeer &#8220;de onsterfelyke de Groot, door zyne vergelyking van sommige Mosa\u00efsche verhaalen met de denkbeelden daar van by de oudste Heidensche natien voorhanden, daar aan die zekerheid gaf&#8221; ook &#8211; , waarmee tegelijkertijd zou zijn bevestigd dat god dacht dat de mensen zelf niet met behulp van hun eigen Rede tot \u00e9chte grondige kennis, de waarheid te komen. Maar Brouwer kiest voor de waarschijnlijkste opvatting, namelijk dat pas later in die bijgelovige wereld enige eerbied voor het hogere te vinden was.<\/p>\n<p>&#8220;Ook hellen wy te meer over om deeze uit de gezegde bronne voornaamelyk af te leiden, nadien alzoo de Reden ten klaarsten blykt, waarom eerst laatere Reiziger ([par] 1 _ getuigenis gaven van geheele natien, by welke zy geene spooren vonden van eenige kennis of eerbied voor hoogere wezens; deeze geheele gedachte namelyk, was by die Wilden, zints lange in de uiterste woestheid, en in eenen staat, van het overig Deel des Aardbodems afgescheiden, geleefd hebbende, ten eenemaal verlooren; terwyl integendeel dit verschynsel naauwelyks te verklaaren is, zoo lange men beweert dat de Zwervende Geslachten der Oudheid, niet door overlevering, maar gezond verstand, hunne oppervlakkige, en bedorven kennis aangaande Godlyke Zaaken verkreegen, welke nochthans by laatere horden in levenswys en denkvermogen {blz 63] aan de eerste nagenoeg gelyk staande gantschelyk onbekend bleeven (w) [noot dus op 63n. &#8220;(w) By uitstek moeijelyk is het deeze zwaarigheid naar de stellingen van Hume in de aangehaalde verhandeling op te lossen; waarom wy ons te liever omtrent die tegenbedenkinge enigszins ter wederlegging van zyne gevoelns uit lieten.&#8221;<\/p>\n<p>(mmmmh nog niet helemaal begrepen, deze)<\/p>\n<p><iframe frameborder=\"0\" scrolling=\"no\" style=\"border:0px\" src=\"http:\/\/books.google.nl\/books?id=snEAAAAAMAAJ&#038;dq=Hume&#038;pg=RA1-PA63&#038;output=embed\" width=500 height=500><\/iframe><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>[uit de serie Verhandelingen van Teylers, 1796] JAN BROUWER (dit keer de GOUDEN EERPENNING) VERHANDELING OVER DE VRAAG: KAN MEN MET GROND BEWEEREN, DAT DE MENSCHEN IMMER, ALLEEN DOOR MIDDEL HUNNER EIGENE REDE OF REDEKAVELINGEN, ZONDER BEHULP VAN EENIG RECHTSTREEKS, OF MEER ONMIDDELYK GODLYK ONDERWYS TOT DE RECHTE DENKBEELDEN VAN GOD EN GODLYKE ZAAKEN ZOUDENHEBBEN [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[236],"tags":[295,216,296],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1742"}],"collection":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1742"}],"version-history":[{"count":5,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1742\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1750,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1742\/revisions\/1750"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1742"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1742"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1742"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}