{"id":1586,"date":"2010-01-22T16:05:27","date_gmt":"2010-01-22T14:05:27","guid":{"rendered":"http:\/\/hume.doesntexist.org\/\/?p=1586"},"modified":"2010-01-22T16:06:42","modified_gmt":"2010-01-22T14:06:42","slug":"campbell-vs-hume-in-de-nederlandsche-letter-verlustiging-ii-1763-526-532","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/?p=1586","title":{"rendered":"Campbell vs Hume in De Nederlandsche Letter-Verlustiging II (1763) [526-532]"},"content":{"rendered":"<p>NADERE BERICHTEN van reeds te voren aangekondigde SCHRIFTEN<\/p>\n<p>EDEMBURG. Van de <em>Verhandeling over de Wonderwerken<\/em> door de Heer GEORGE CAMPBELL, Doctor in de Godgeleerdheid en Predikant te <em>Aberdeen<\/em>, tegen de Gronden van den Heer <em>Hume<\/em> in &#8217;t licht gegeeven is, maakten wy reeds kortelyk in &#8217;t <em>Aanhangzel<\/em> tot het eerste Deel deezer <em>Letterverlustigingen<\/em> gewag. Doch &#8217;t zelve verdient wel dat wy &#8216;er onzen Leezer iets meer van zeggen. De Heer <em>Hume<\/em> by sommigen te recht opgegeeven als de <em>Bayle<\/em> der <em>Engelschen<\/em>, heeft zyne <em>Essay<\/em> of <em>Proeve<\/em>, die hy over de <em>Wonderwerken<\/em> geschreeven heeft, in 2 deelen verdeeld; in welkers eerste hy tracht te toonen dat het getuigenis nooit een genoegzaam bewys voor de Waarheid der Wonderwerken kan opleveren; en in het tweede tracht hy te doen zien dat al onderstelde men dat &#8216;er vast te gaan was op het getuigenis ten aanzien van de zekerheid der Wonderwerken, &#8216;er nogthans geene Historie is, die ons eene zaak of uitkomst oplevert van dat soort, die behoorlyk getuigd en voldoende bewaarheid is. De Heer <em>Campbell<\/em> volgt het Voorbeeld van den Heer <em>Hume<\/em> in de verdeeling zyns Werks, en spreekt eerst over de zekerheid der Wonderen in &#8217;t gemeen, en van zulken, die den Godsdienst betreffen, in &#8217;t byzonder, en dat dezelve zeer wel op het getuigenis kan gevestigd worden &#8211; ten tweeden toont hy dat de Wonderwerken, waarop het Christelyk geloof gebouwd is, genoegzaam bewaarheid en door voldoende getuigenissen bekrachtigd zyn. Om onzen Leezer eens te doen zien, hoe hy &#8217;t eerste stuk behandelt, zullen we hem eerst de hoofdsom der Redenen van den heer <em>Hume<\/em> onder &#8217;t oog brengen, zoo als onze <em>Schotsche <\/em>Godgeleerde die opgeeft: Deeze zegt dan:<br \/>\n&#8220;De Redeneeringen, die wy doen over zaaken van feit, hebben enkel de <em>ondervinding<\/em> tot geleide. In zekere zaaken is dezelve veranderlyk, in anderen eenpaarig. Als ze veranderlyk is, kan ze niets dan waarschynlykheid opleveren; maar zo ze eenpaarig is, komt &#8216;er een bewys uit voort. De [527] waarschynlykheid onderstelt altoos een tegenoverstelling van bevindingen en waarneemingen, waar van de eenen een trap van blykbaarheid voortbrengen, die evenredig is met dezelver meerderheid boven de anderen: in zulke gevallen moeten wy de tegenoverstaande Waarneemingen tegen elkander in de Schaal leggen, en &#8217;t kleener getal van &#8217;t grotere aftrekken, om regt en net te weeten in hoe verre &#8217;t bewys naar de eene zyde overhelle. De verzekering, die wy hebben van iets &#8217;t gene door ooggetuigen bevestigd wordt, hangt alleen van de ondervinding af; dat is te zeggen van &#8217;t licht, welk wy verkreegen hebben door onze Waarneemingen wegens de Waarheid van &#8217;t menschelyk getuigenisse, en wegens de gewone overeenstemming der zaaken, met het verhaal der getuigen. Want zo &#8216;er iets wonderlyks is in eene zaak en dezelve van dat soort is, &#8217;t gene zelden aan onze Waarneeming voorkomt, zo maakt dit een stryd tusschen de bevindingen, waar in de eene de andere om verre stoot, naar mate hunner onderlinge kracht; invoegen de gene, die &#8217;t wint, niet op &#8217;t verstand kan werken, dan uit hoofde van de meerdere sterkte, die &#8216;er in haar overgebleeven is. Dit zelfde grondbeginzel, te weten de <em>bevinding<\/em>, geeft ons, behalven zekeren trap van vastheid in het <em>getuigenisse<\/em>, nog eenen anderen tegen de Zaak, die het gtuigenis bevestigt; en hier uit moet noodzaaklyk een soort van evenwigt volgen, en eene onderlinge vernietiging van alle geloove en van alle gezag. Zo, wyders, de getuigde zaak, in plaats van enkel wonderlyk, wezenlyk wonderdaadig mog zyn, en zo het getuigenis, volstrekt en op zich zelve aangemerkt, daarvan een volslagen bewys opgeeft, zo heeft men dan nog maar bewys tegen bewys, waarvan het sterkste het alleen van &#8217;t andere in zulk eene maate winnen moet, als &#8216;er kracht in overblyft na dat men het tegenovergestelde vergeleeken en &#8216;er tegen opgewogen heeft. Een Wonderwerk is eene schending der natuurwetten; en gelyk deeze Wetten op eene standvastige bevinding gegrond zyn, zo levert de natuur der zaake zelve zulk een volslagen bewys op tegen een Wonderwerk, als men zou konnen trekken uit eenig bewys op de Ervaarenis gegrond. Dit nu zo zynde, zo volgt &#8216;er op eene ontegenzeglyke wyze uit, dat di bewys, door geen ander, uit een getuigenis ontlend, kan verzwakt worden; en dat by gevolg een Wonderwerk, op hoe veele en goede Getuigenissen ook steunende, nooit den minsten trap van waarschynlykheid kan hebben.&#8221;<br \/>\nIn diervoegen loopt het vermaarde Bewys tegen de Wonderen, waar mede Mr. <em>Hume<\/em> zich vleidt de erkentenis zyner tydgenooten en Nakomelingen verdiend, en een onverwinlyk bolwerk tegen alle listen en laagen van &#8217;t overgeloove opgerecht te hebben. [?] Maar de Heer <em>Campbell<\/em> onderzoekt alle deeze Voorstellen, en doet ten klaarsten zien, dat derzelve op een valsch grondbeginzel rusten, door bedrieglyke Schynredenen ondersteund en [528] van den uitvinder in de Waereld gestud worden, om dat zyn voor hem zelven van geen nut altoos is. hy toont eerst dat er niets valscher kan zyn dan &#8217;t gene <em>Hume<\/em> zegt, <em>ddat het bewys van &#8217;t getuigenis van de ondervinding zou afhangen<\/em>. Van Kindsbeen af gevoelen we dat ons geloof door &#8217;t getuigenis wordt weggesleept; en dat we door de ondervinding alleen, in &#8217;t vervolg, in sommige Gevallen &#8216;er aan leeren wantrouwen. Volgens <em>Hume<\/em> is &#8216;er geen de misnte waarschynlykheid voor &#8217;t getuigenis voor dat de bevinding &#8216;er haare stem aan geeve; en volgens de Algemeene ervarenis is &#8216;er alle verdenking ten goede voor &#8217;t getuigenis, tot dat de bevinding ons goede redenen oplevere om het te verwerpen. Werpt de Heer <em>Hume <\/em>tegen, dat het tegen de Regels eener gezonde Wysgeerte stryde, een getuigenis te gelooven, voo dat het door de bevinding bekrachtigt of opgehelderd zy; om dat we niets voor de beweeg oorzaak van zulk een geloove konnen opgeeven; zo laat hy ons dan eens verklaaren de redenen zyner eigene toestemminge aan deeze voorstellen: <em>gelyke oorzaaken brenge gelyke uitwerkzelen voort; de loop der natuure zal morgen dezelfde zyn, als ze gisteren was en heden is: <\/em>voorstellen, welken hy zelve erkent niet beschouwelyk blykbaar, noch afgeleid te zyn uit eenige <em>Praemissen<\/em>; en die hy nogthans voor eerste kundigheden of grondregels houdt, welken men noodwendig moet erkennen in alle redeneeringen, die men uit de bevinding opmaakt. Verder legge hy eens uit, waarom hy aan de berichten van zyn eigen geheugen gelooft, die door de ondervinding dikwils geloochend of verbeterd worden, zonder dat men echter kan zeggen dat ze een gezag aan haare Stellingen ededeelen. hy zal derhalven wel moeten toestaan, dat, al kunnen wy geen reden geevan van die ons het getuigenis doet gelooven, het zelve niet te min een der natuurlykste en eerste gronden van ons geloove is.<br \/>\nMaar hier uit wil men geenszins besluiten dat het getuigenis een volstrekt recht op ons geloof hebbe. &#8217;t Is klaar dat het door een tegenstrydig getuigenis, of door de onbekwaamheid of kwaade trouw der Getuigen kan overgehaald of vernietigd worden. En men wil zelfs wel toestaan dat eene wondere zaak \u00e9r eene verdenking tegen verwekken, maar geenszins dat ze het zelve ongelooflyk maaken kan, voor al, zo er niets op de bekwaamheid en goede trouw der getuigen te zeggen of &#8216;er aan te twyfelen, valt. Zeker, zo de zeldzaamheid eener zaake, zulk eene tegenkanting verwekte tusschen de bevinding en &#8217;t  getuigenis, dat die twee bewyzen, gelyk Mr. <em>Hume<\/em> die noemt, elkander vernietigden, zo zou &#8216;er in de Historie niet eene enkele voorkomen, die wy konden gelooven; om dat &#8216;er eene verdenking van verscheide duizenden plaas heeft tegen de waarschynlykheid der Geschiedenis van <em>Julius Caesar<\/em>, en van alle andere Menschen, voor dat ze door getuigenissen bevestigd is omdat het besluit, welk men onmiddelyk uit de bevinding trekt, [529] algemeen is, en &#8217;t gene uit het getuigenis vloeit, altyd byzonder is. Wy konnen uit de bevinding met reden bsluiten dat een teokomend geval gelyk zal wezen aan een voorgaand, welk wy hebben waargenomen, wanneer alle de omstandigheden die &#8217;t zelve verzellen, gelyk zullen wezen met de genen, die wy in het vorige hebben opgemerkt. Maar de bevinding kan &#8217;t getuigenis niet tegenspreeken, wanneer zy ons verzekert van &#8217;t wezenlyk plaats hebben eener zaak in een zeker byzonder geval; want, schoon de omstandigheden, die gelyk konnen zyn me tdie van &#8217;t andere Geval, konnen &#8216;er echte veele omstandigheden zyn, die wy niet kennen, en die met de genen, welken in ons opgemerkt Geval plaats hadden, grootelyks konnen verschillen. Waar uit ontegenzeglyk volgt dat de bevinding niet kan dienen, om over het toekomende dan alleen op eene zeer gebreklyke wyze, iets te kunnen oordeelen; en daar uit blykt even klaar dat de Heer <em>Hume<\/em> dezelve gebruikende, om de waarschynlykheid van een voorleden geval daar door te bepaalen, van dezelve een tastbaar misbruik gemaakt hebbe.<br \/>\nMaar dit is &#8217;t eenige valsche bewys niet, welk deeze Schryver in zyn Grondbeginzel gebezigd heeft; nog veele anderen vloeijen &#8216;er voort uit de dubbelzinnigheid, die hy, zonder &#8216;er om te denken, aan &#8217;t woord <em>Bevinding<\/em> heeft gehcht, en dikwils ook aan dat van <em>Wonderwerk<\/em>,  hoe zeer hy voorgegeeven heeft, dezelve wel te bepaalen. De Heer <em>Campbell <\/em>maakt eene juiste onderscheiding tusschen een <em>personeele<\/em> en eene <em>afgeleide<\/em> (of <em>gederiveerde<\/em>) bevinding. Door de eerste, die op &#8217;t geheugen stemt, moet men de algemeene Gronden verstaan, die elk Mensch maakt, als hy de byzondere Zaaken, die hy zelve gezien, of in zyn geheugen opgeslooten heeft, met elkander vergelykt. De tweede soort van bevinding is gegrond op &#8217;t getuigenis, waarin men niet alleen moet letten op den Schakel der waarneming van anderen, die wy uit hun getuigenis afleiden, maar ook op alle de algemeene gronden, die we zelven op maaken uit de vergelyking der byzondere getuigde zaaken onder elkanderen.<br \/>\nWil Mr. <em>Hume<\/em> nu dat we wegens &#8217;t Getuigenis enkel zullen oordeelen, door onze personeele bevinding? Dit schynt ontwyfelbaar, om dat hy anders een foutigen Cirkel in &#8217;t bewyzen maaken, en zyn groot Grondbeginzel hierop uitkomen zoude: <em>Het getuigenis verdient geen geloof dan voor zo verre het gesterkt is door eene zo wyduitgestrekte bevindinge, die wy niet konnen verkrygen, ten zy dat wy alvorens aan &#8217;t getuigenis gelooft hebben<\/em>. Zoo de Heer <em>Hume<\/em> nu aan &#8217;t Woord <em>bevinding<\/em> geen anderen Zin geeft, dan dien men aan de Woorden <em>Personeele bevinding <\/em> heeft gehecht; laat hy dan eens verklaaren als hy kan, wat hy zeggen wil, wanneer hy spreekt van eene <em>geduurige<\/em> en <em>algemeene bevinding<\/em>: woorden, die enkel aan eene afgeleide bevinding passen. Hoe kan men &#8217;t anders verstaan, als de Heer <em>Hume<\/em> wil, dat wy de getuigde zaaken zullen of moeten beoordeelen ingevolge de overeenkomst derzelven met onze personeele bevinding? En dit zeker zou onze [530] kennis en reden binnen al te naauwe palen besluiten, en ons tot eene eeuwige kindsheid te rug brengen.<br \/>\nDe Drogredenen en Sophisteryen van den Heer <em>Hume<\/em> komen bykans op iedere bladzyde voor. E\u00e9n voorbeeld daar van mag voor allen volstaan. &#8220;Hy noemt een <em>Wonderwerk<\/em> een schending der natuurwetten; en dewyl die wetten op eene geduurige of volstandige bevinding steunen, zo maakt de natuur der zaake tegen een Wonderwerk een zo genoegzaam volkomen bewys uit, als men zou konnen trekken uit eenig bewys, welk op de bevinding steunt&#8221;. Wat is dat voor eene <em>volstandigebevinding<\/em>, die tegen de <em>Mirakelen<\/em> getuigt? Is dit het eenpaarig getuigenis van alle Menschen in alle tyden? Gewisselyk neen; omdat men anders zoo veele verhaalen van Wonderdaaden niet vinden, en de Heer <em>Hume<\/em> als dan niet ondernomen hebben zoude, dezelven uit te monsteren; en te verzekeren dat de historie &#8216;er ons zal opleveren, zoo lang de Waereld staan zal. Op spreekt hy hier van de personeele bevinding van elk Mensch? Dat kan ook niet wezen, omdat &#8216;er onder honderd duizend Menschen naauwlyks een is, die door zyne eigene bevindinge, tot de vaste en ontwyfelbaare kennis van sommigen der Natuurwetten geraaken zoude. &#8212; Voorts bepaalt hy een <em>Wonderwerk<\/em> nu eens als eene<em> schending der Natuurwetten<\/em>; dan noemt hy &#8217;t weder, <em>de overtreeding eener natuurwet, door een daad van Gods wille, of door de tusschenkomst van eenen onzichtbare Werker. <\/em>Daar toch deeze uitdrukkingen van <em>schending<\/em> en <em>oertreeding<\/em> een denkbeeld insluit van strafbaare tegenkanting van &#8217;t gezag van eene Opperheer, en zyn zeer kwaalyk geplaatst en onvoegzaam als men van de Godhid, boven welke niemand is, spreekt. Elders wil hy dat de Wysgeeren, na dat ze van de wezenlykheid eene eenes Wonders verzekerd zyn, &#8216;er de oorzak van zullen naspeuren. Maar hoe is da met zyne bepaaling over een te brengen? Nu eens neemt hy &#8217;t woord <em>Wonderwerk<\/em> voor eene onbewysbaare of onwaarschynlyke zaak; dan eens voor iets dat ongerymd en onmogelyk is. Om zich hier van te overtuigen, heeft men maar te letten op &#8217;t gene hy bl. 177 van zyn Essay zegt: &#8220;Wanneer iemand my verhaalt dat hy eenen Dooden heeft zien opwekken,zoo onderzoeke ik straks, of &#8217;t meer bewysbaar is dat die Man my wilde bedriegen of zelf bedrogen geworden is, dan dat het feit, welk hy verhaalt, wezenlyk zou gebeurd zyn. Ik leg &#8217;t een deezer Wonderen tegen over &#8217;t andere op de Schaal en naar de meerderheid, die ik aan den eenen kant vinde, maake ik altoos myne beslissing, en verwerpe steeds het grootste Wonder. Zo de valschheid van zyn getuigenisse wonderdaadigerwas dan &#8217;t geval, welk hy my verhaalt als dan en niet eer kan hy van my eischen, dat ik hem geloove.&#8221; Men ziet uit deeze Aanhaaling wel, (die eene toepassing is van eene grondregel, waar mede de Autheur zeer veel op heeft,) dat de Woorden <em>meer bewysbaar <\/em>en<em> min wonderdadig, min bewyslyk <\/em>of<em> waarschynlyk<\/em>, en <em>meer wonderdaadig<\/em>, volslagen gelyknaamig zyn: zoo dat des Schryvers grondregel, (die hier in bestaat: <em>Daar is geen getuigenis in staat om een Wonder te staaven, ten zy de valschheid van dat getuigenisse wonderdaadiger zy, dan de zaak die het tragt te bevestigen.<\/em>) op dit denkbeeldig of liever harssenschimmig Voorstel uitloopt: &#8220;daar is geen getuigenis, welk genoegzaam is ter bevestiging eens Wonderwerks, ten zy de valschheid van dat getuigenis min bewysbaar zy, dan het feit, welk hy tracht te bevestigen&#8221;.<br \/>\nDaar is nauwlyks kans om den Heer <em>Hume<\/em> met zich zelven te doen overeenstemmen. Men zou zeggen dat hy, na alle pogingen te hebben aangewend, om te toonen dat het ondoenlyk zy eenig bewys voor een Mirakel op te geeven, wel verre af zou wezen van de moogelykheid van een diergelyk Bewys toe te staan; en nogthans erkent hy dezelve duidelyk; zeggende: &#8220;Ik sta toe dat men Wonderwerken, of Schendigen van den gewoonen Loop der Natuur hebbenkan, die door een Menschelyk Getuigenisse beweezen konnen worden; hoewel &#8217;t misschien onmogelyk is de zoodanigen in de Jaarboeken van &#8217;t Menschelyk geslacht te vinden&#8221;. na deeze zyne erkentenisse, geeft hy een voorbeeld op van een wonderdaadig Geval, &#8217;t gene op zulk een wyze getuigd was, dat men, zegt hy, niet kon weigeren het te gelooven. Zoo dat hy in deezer voegen zyn eigen ewys verzakt en duidelyk tegenspreekt; omdat hy het besluit of de gevolgtrekking, die hy &#8216;er uit opmaakt, weder verwerpt, te weten &#8220;dat een Wonderwerk, hoe sterk en wel het ook mag bevestigd zyn, echter nooit den minsten trap van waarschynlykheid of bewysbaarheid kan verkrygen&#8221;<br \/>\nDus kant deeze Schryver zich niet allen, schoon op eene ongerymde Redeneerwyze, tegen de Wonderwerken in &#8217;t gemeen, maar hy is te gelyk ook zeersterk vooringenomen tegen allen de zulken, welke den Godsdienst betreffen, Niets kan by hem eenig gewigt by zetten aan een getuigenis, ten voordeel van zoodanige wonderen gedaan; en indien Lieden van verstand naar hem willen luisteren, zullen ze zulk getuigenis zonder eenig onderzoek maar verwerpen, onder &#8217;t glimpig voorwendzel, &#8217;t gene zich ras genoeg voordoet; te weeten om dat de <em>drift voor &#8217;t wonderbaare, en de kracht van den Godsdienstigen iever<\/em> komen te weeg brengen dat men blindelings, allerlei ongerymde verhaalen voor waar aanneemt; dewyl ze de oogen de genen die &#8216;er mede bezet zyn, betoveren en verblinden. maar de nieuwsgierighid, die allen Menschen van natuure eigen is, en waaruit deeze neigin voor &#8217;t wonderbaare ontstaat, veroorzaakt geen sterker vooringenomenheid tegen de mirakelen, dan tegen alle andere buitengewoone zaaken; en hoeveelen van deeze laatsten gelooft men echter wel zonder eenigen den minsten twyfel &#8216;er tegen te maaken, wanneer ze ons in de natuurlyke Historie of in de Natuur- en Scheikunde en elders voorkomen; of als zy maar door een enkele getuigenisse bevestigd worden En wat ade Godsdienstige iever belangt, men staat gereedelyk toe de kracht en de uitwerkzels, die dezelve heeft op de inbeelding, maar dit maakt [532] zelfs een bewys tegen Mr. <em>Hume<\/em>, naardien het de baarblyklykheid dier wonderen betoogt, door welken eene leer bevestigd is, regelregt aangekant tegen zulke vooroordeelen, die deezen ongeregelden Godsdienst iever veroorzaakt hebben. Deeze aanmerking is, gelyk Mr. <em>Hume<\/em>, volgens zyne gronden, zelve belyden moet, van een zeer groot gewigt, en nogthans verwaardigt hy zich niet, om er de minste aandacht op te geven.<br \/>\nWel verre dan, dat de drift voor &#8217;t wonderbaare, en de kracht der Godsdienstige Neigingen, eene verdenking tegen de Wonderdaaden, die den Godsdienst betreffen, maaken zouden, zo levert dit hun onderwerp zelve een vooroordeel op ten behoeve van derzelver Waarheid. Want zoo de styfste en volslagenste Vrygeest of ongelovige niet logcchenen dat de onsterfelykheid der Ziele, &#8217;t geloof in een toekomend leeven, de invloed van ons tegenwoordig gedrag op onzen Staat hier namaals, de eenheid en alle andere volmaaktheden van &#8217;t Opperwezen, allen Leerstukken zyn, die niet alleen niets ongerymds bevatten; maar die zelfs zoo gewigtig als verheven zyn voor de Stervelingen; zoo kan hy ook niet ontkennen, dat het der Godlyke Wysheid en Goedheid overwaardig zy, op eene byzondere wyze tusschen beiden te komen, en den Loop der Natuure voor een poos op te schorten, om ons deeze groote, deeze heerlyke Waarheden ten klaarsten te doen kennen.&#8221;<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>NADERE BERICHTEN van reeds te voren aangekondigde SCHRIFTEN EDEMBURG. Van de Verhandeling over de Wonderwerken door de Heer GEORGE CAMPBELL, Doctor in de Godgeleerdheid en Predikant te Aberdeen, tegen de Gronden van den Heer Hume in &#8217;t licht gegeeven is, maakten wy reeds kortelyk in &#8217;t Aanhangzel tot het eerste Deel deezer Letterverlustigingen gewag. Doch [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[247,236,270],"tags":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1586"}],"collection":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1586"}],"version-history":[{"count":4,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1586\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1590,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1586\/revisions\/1590"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1586"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1586"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1586"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}