{"id":1484,"date":"2009-12-26T18:33:07","date_gmt":"2009-12-26T16:33:07","guid":{"rendered":"http:\/\/hume.doesntexist.org\/\/?p=1484"},"modified":"2009-12-26T18:33:07","modified_gmt":"2009-12-26T16:33:07","slug":"uiteindelijk-voorstel","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/?p=1484","title":{"rendered":"Uiteindelijk voorstel"},"content":{"rendered":"<p>Hume in Holland<br \/>\nVoorstel voor een masterscriptie<\/p>\n<p>Willem Prins<br \/>\nStudentnummer: 0237337<br \/>\nUniversiteit van Amsterdam<br \/>\nOpleiding Geschiedenis<br \/>\nColloquium Master Geschiedenis<br \/>\nDocenten: Dr. J. C. van Zanten en Dr. J. Turpijn<br \/>\nScriptiebegeleider: Dr. W. R. E. Velema <\/p>\n<p>30 juni 2009<br \/>\nInhoud<\/p>\n<p>Inhoud\t2<br \/>\nInleiding\t3<br \/>\n1: State of the art\t8<br \/>\n1.1: Receptiegeschiedenis\t8<br \/>\n1.2: Hume-receptie\t14<br \/>\n1.3: De Verlichting(en) in Nederland\t18<br \/>\n2: Operationalisering\t24<br \/>\n2.1: Afbakening\t25<br \/>\n2.3: Methodologie I: (re)productie, distributie en consumptie\t27<br \/>\n2.4: Methodologie II: receptie\t31<br \/>\n3: Voorlopige resultaten\t37<br \/>\n3.1: Een werkblog\t37<br \/>\n3.2: Een tijdbalk\t37<br \/>\nBijlage: voorlopige literatuurlijst\t39<br \/>\nBijlage: voorlopige bronnenlijst\t46<\/p>\n<p>&#8220;een van de schranderste koppen in Engeland\u2020\u009d 1<br \/>\nVaderlandsche Letteroefeningen (1764)<br \/>\n\u2020\u0153Een schrijver van dat vernuft, van die geleertheid, eischt alle onze oplettendheid\u2020\u009d 2<br \/>\nWillem Anthony Ockerse in zijn \u02bbOntwerp tot eene algemeene characterkunde\u02bc (3 delen, 1788-1797)<br \/>\n&#8220;na het lezen van Hume zou je jezelf willen ophangen\u2020\u009d 3<br \/>\nFrans Hemsterhuis (volgens tenminste \u00e9\u00e9n Verlichtingshistoricus de enige achttiende-eeuwse Nederlander die het predikaat \u02bbfilosoof\u02bc mag dragen),4 in een brief aan een leerling van hem (1779).<\/p>\n<p>Inleiding<br \/>\nHet heeft ruim twee\u00ebnhalve eeuw geduurd, maar eind 2007 lag hij dan eindelijk in de boekhandel: een Nederlandse uitgave van A treatise of human nature van de Schotse denker David Hume (1711-1776). \u2020\u0153Het hoofdwerk van een van de belangrijkste empiristische filosofen uit de geschiedenis\u2020\u009d, lezen we op het kaartje dat uitgeverij Boom ter promotie liet drukken.<br \/>\nEen belangrijk boek dus, van een belangrijk filosoof. Dat deze prijzende woorden van de uitgever niet slechts dienen om de verkoop van het boek te stimuleren, zien we wanneer we Humes naam invoeren bij Google of PiCarta: David Hume is zonder twijfel \u00e9\u00e9n van de Grote Namen uit de Westerse filosofie. Met de bulk aan academische literatuur die over hem is geschreven, is met gemak een kleine bibliotheek te vullen. En dit alles heeft de Schot te danken aan zijn driedelige Treatise, die voor het eerst verscheen in 1739. Hierin liet Hume zien dat zijn kenmerkende radicale scepticisme hem niet belemmerde \u2020\u201c  hem eerder juist in staat stelde \u2020\u201c om de voorwaarden vast te leggen voor een positieve en constructieve science of man: een alomvattende menswetenschap.<br \/>\nAls we het kaartje van uitgeverij Boom mogen geloven, was het de hoogste tijd dat het traktaat \u2020\u0153voor een groter publiek toegankelijk\u2020\u009d werd. Met 268 jaar vertraging tussen origineel en vertaling dringt zich echter \u00e9\u00e9n simpele vraag op: als het traktaat zo belangrijk is, waarom is het dan nooit eerder vertaald? Uit een korte inventarisatie van de Nederlandse Hume-publicaties blijkt namelijk dat andere werken van Hume w\u00e9l al in de achttiende eeuw in het Nederlands verkrijgbaar waren. De uitgevers in de Republiek zagen de Treatise blijkbaar niet als het \u02bbhoofdwerk\u02bc van Hume. Veel meer belangstelling was er voor Humes staatkundige essays, en later zijn kolossale History of England. Hoe kan het dat Hume als historicus en politiek denker alom werd geprezen, maar men schijnbaar geen brood zag in zijn theoretische werk?<br \/>\nOm deze \u00e9n andere vragen rondom de vroege Hollandse receptie van Hume te beantwoorden, zal in deze scriptie de volgende vraag centraal staan:.Hoe werden de werken van David Hume verspreid en ontvangen in Holland in de tweede helft van de achttiende eeuw?<br \/>\nEr is ondertussen een flink aantal studies naar de ontvangst van Humes idee\u00ebn verschenen \u2020\u201c met Peter Jones\u02bc bundel The continental reception of David Hume, Marc G. Spencers David Hume and early eighteenth-century America en James Fiesers tiendelige bronnenuitgave Early responses to Hume (alledrie uit 2005) als laatste veelomvattende wapenfeiten \u2020\u201c maar over de ontvangst van Humes werken in Nederland is nog nauwelijks iets bekend. Dat is merkwaardig, al is het alleen maar omdat over het algemeen wordt aangenomen dat de eerste reacties op Humes Treatise in de Republiek zijn gedrukt.5 Het gaat hierbij echter om besprekingen in Franstalige tijdschriften, die grotendeels werden samengesteld door Franse Hugenoten. Daarnaast waren deze bladen hoofdzakelijk bedoeld voor de Franse markt, die onder strenge koninklijke censuur gebukt ging. Het is dus maar de vraag in hoeverre deze artikelen ook het Nederlandse lezerspubliek bereikten. Behalve de bronnen rondom de productie en distributie van Humes werken in Nederland worden in deze scriptie de reacties op deze werken in Nederlandstalige tijdschriften onderzocht. Hiermee wordt niet alleen een hiaat in de bestaande literatuur over de Hume-receptie gevuld; ook de achttiende-eeuwse Republiek wordt vanuit een nog onbekende kant belicht.<\/p>\n<p>De verspreiding en ontvangst van Humes idee\u00ebn door Hollanders is ten eerste interessant omdat hun ontvankelijkheid voor deze idee\u00ebn ons een indruk kan geven van de intellectuele openheid en wendbaarheid van het Nederlandse publiek. Net als andere verlichte denkers was Hume een veelschrijver: hij schreef veel over veel verschillende onderwerpen. De veelzijdigheid van Humes oeuvre heeft geleid tot reacties die het hele spectrum tussen bejubelen en verguizen bestrijken. Dit wordt ge\u00efllustreerd door de drie citaten bovenaan dit voorstel. Tussen Humes dubieuze reputatie als vrijdenker enerzijds en het respect dat hij afdwong met zijn staatkundige en historische werken anderzijds ligt een spanningsveld. Dit maakt het onderzoek lastiger, omdat er rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat idee\u00ebn van Hume niet vanwege de inhoud, maar vanwege zijn reputatie werden verworpen of genegeerd. De beloning is echter des te groter, omdat onderzoek naar de omgang met deze \u02bbdubbele\u02bc David Hume ons kan helpen om de grenzen te bepalen van het grijze gebied tussen behoudendheid (op religieus \u00f3f politiek gebied) en openheid (voor nieuwe, verlichte idee\u00ebn).<br \/>\n Ten tweede wordt de recente historiografie rondom de Verlichting in Nederland sinds enkele jaren gedomineerd door een these die het verdient om getoetst en genuanceerd te worden. De Britse historicus Jonathan Israel heeft met enkele vuistdikke boeken een zware stempel weten te drukken op het historische debat over de Verlichting. De invloed van Israels werk gaat verder dan de huidige Spinoza-hype: het is inmiddels voor historici haast onmogelijk geworden om voorbij te gaan aan het schema \u02bbradicaal-vs-gematigd\u02bc.6 In dit schema wordt iedereen die conservatief was op politiek of religieus vlak ingedeeld bij de gematigde Verlichting. Ondanks zijn fundamenteel empiristische houding valt Hume in de \u02bbgematigde\u02bc categorie, omdat hij veel waarde hechtte aan traditie \u2020\u201c en dus politiek behoudend was. Voor Israel is Humes bijdrage aan de Verlichting daarom niet interessant.7 Een dergelijk zwart-wit schema doet echter geen recht aan originele denkers die zich niet laten indelen in \u00e9\u00e9n van deze twee categorie\u00ebn. Een bekend voorbeeld is de Leidse uitgever en politiek denker Elie Luzac, wiens bijzondere positie in de Verlichting in Nederland uitgebreid is beschreven door Wyger Velema.8 Het verlichte conservatisme waartoe Luzac kan worden gerekend, vinden we ook terug bij David Hume.<br \/>\nTen derde is de Hume-receptie nog maar een klein deel van een veel groter gebied dat nog in kaart gebracht dient te worden: over de Nederlandse ontvangst van Schotse werken uit de tweede helft van de achttiende eeuw  is namelijk in zijn geheel nog nauwelijks iets bekend. Al in 1995 wees Wijnand Mijnhardt op de relevantie van onderzoek naar de receptie van de Schotse sociale filosofen in de Republiek, om er bijvoorbeeld achter te komen wat de science of man betekende voor Nederlandse verlichte denkers.9 In deze periode kwam in Schotland de Verlichting tot bloei in de gezamenlijke krachtsinspanning om oplossingen te vinden voor de politieke en morele inrichting van het land. In de Republiek vond tegelijkertijd een verhit publiek debat plaats met een vergelijkbare inzet. Het is interessant om te weten welke buitenlandse idee\u00ebn werden ingezet of juist actief werden bestreden om de eigen standpunten in dit debat kracht bij te zetten. Maar waar de achttiende-eeuwse receptie van diverse philosophes ondertussen behoorlijk goed onderzocht is,10 beperkten eerdere studies over de omgang met Britse denkers zich tot eerdere periodes.11  En dat terwijl de anglomanie, die ook Voltaire goed te pakken had, wel degelijk ook in de Republiek heerste. De Hume-receptie is een logisch beginpunt van nieuw onderzoek, omdat Hume met zijn benadering van mens en maatschappij een inspiratiebron was voor zijn Schotse collega-denkers en vrienden, zoals Adam Smith.<br \/>\nTen slotte vertelt een onderzoek naar de verspreiding van Humes werken in Holland ons niet alleen iets over de toegankelijkheid van de Hollandse markt, maar ook iets over de werking ervan: hoe vonden de idee\u00ebn van een Schots auteur hun weg naar de Nederlandse lezer? En welke rol speelden uitgevers, boekhandelaren, vertalers en tijdschriftauteurs in de Hume-receptie? <\/p>\n<p>Naast het in kaart brengen van de verspreiding en een deel van de ontvangst van Humes werken in Holland heeft deze scriptie als doel om de mogelijkheden van receptieonderzoek voor de historiografie over de Verlichting in Nederland te verkennen. Er bestaan vooral methodologische bezwaren tegen de traditionele benadering van receptiegeschiedenis (zie hiervoor paragraaf 1.1) dus er zal vooral gekeken worden naar de diverse andere benaderingen, die reeds in andere studies zijn toegepast. Daarnaast zal er aandacht zijn voor de mogelijkheden die ontstaan dankzij de voortsnellende digitale ontsluiting van bronnen. De Verlichting is pas sinds enkele decennia onderwerp van serieus historisch onderzoek, en er liggen nog talloze mogelijkheden voor de Verlichtingshistoricus. Receptieonderzoek is zeker niet de enige manier om deze bronnen te benaderen, maar de sterke focus op het oeuvre van \u00e9\u00e9n auteur stelt de onderzoeker in staat tot het schrijven van zeer gerichte idee\u00ebngeschiedenis. Door de receptie van Hume en andere buitenlandse auteurs te onderzoeken, kunnen we de bovendien de positie bepalen van Nederlandse verlichte debatten binnen de ruimere context van de Verlichting in Europa. <\/p>\n<p>Dit uitgewerkte onderzoeksvoorstel ziet er verder als volgt uit:<br \/>\nEerst zal ik in het hoofdstuk State of the art kort ingaan op de huidige stand van zaken in de wetenschap rondom de Hume-receptie en de Verlichting in Nederland. Ook recente trends en debatten over receptiegeschiedenis als \u02bbvak apart\u02bc zullen aan bod komen.<br \/>\nIn het hoofdstuk Operationalisering wordt kort de afbakening van het onderzoek besproken en zal aan de hand van een voorlopige hoofdstukindeling worden verteld langs welke lijnen het onderzoek is gestructureerd. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de gehanteerde methodologie.<br \/>\nHierna zal in het hoofdstuk Voorlopige resultaten een korte uitleg worden gegeven bij het online werkblog en de bronnentijdbalk behorende bij deze scriptie.<br \/>\nEen tweetal bijlagen zal ten slotte worden gevormd door een voorlopige literatuurlijst, gesorteerd op thema, en een voorlopige bronnenlijst, gesorteerd op type.<br \/>\n1: State of the art<br \/>\nAl meer dan 250 jaar wordt er geschreven over Humes idee\u00ebn en zelfs nu verschijnen er nog met enige regelmaat nieuwe visies op zijn historische en filosofische betekenis.12 De voortdurende nieuwe aanwas van wetenschappelijke literatuur over Hume zegt iets over het belang dat ook binnen de academische wereld nog altijd wordt gehecht aan zijn werk. Een nadeel van deze aanhoudende belangstelling voor de aspirant-onderzoeker is dat de enorme hoeveelheid literatuur, die de afgelopen driekwart eeuw over hem is geproduceerd, nogal desori\u00ebnterend en intimiderend kan werken. Het overgrote deel van de literatuur bestaat echter uit filosofische bespiegelingen op Humes theoretische werk, die voor deze scriptie nauwelijks relevant zijn. Het receptieonderzoek is absoluut gebaat bij gedegen kennis van Humes idee\u00ebn, maar het is niet gericht op het verkrijgen van nieuwe inzichten over de denker zelf. Het zijn zijn teksten, maar de hoofdrol is weggelegd voor zijn lezers en hun idee\u00ebn.<br \/>\nIn dit hoofdstuk zal eerst worden ingegaan op de vraag wat receptiegeschiedenis precies is en worden getoond hoe verschillende stromingen in de idee\u00ebngeschiedenis de voor receptieonderzoek gangbare methodes hebben be\u00efnvloed. Hierna zal worden gekeken naar de bijzondere wordingsgeschiedenis van Hume als Grote Naam binnen de Westerse filosofie en de recente literatuur over Hume-receptie. Hieruit blijkt hoezeer Humes naamsbekendheid het werk is van historians of philosophy aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Als laatste worden de recente ontwikkelingen in de historiografie over de Verlichting in Nederland besproken, waarbij ook enkele studies naar de receptie van andere denkers in de Republiek aan bod komen.<br \/>\n1.1: Receptiegeschiedenis<br \/>\nAls gezegd kan worden dat elke vorm van historisch onderzoek zich voor een deel  bezighoudt met idee\u00ebngeschiedenis,13 dan lijkt het gerechtvaardigd om te zeggen dat elke vorm van idee\u00ebngeschiedenis zich voor een belangrijk deel bezighoudt met  receptiegeschiedenis. Wanneer de idee\u00ebngeschiedenis zich richt op het registreren van de ontwikkeling van idee\u00ebn door de eeuwen heen, k\u00e1\u00a1n dit zelfs niet zonder in te gaan op de overdracht van idee\u00ebn. Want waar een idee wordt overgedragen is er een \u02bbzender\u02bc en een \u02bbontvanger\u02bc, en is er dus sprake van receptie. Toch houden we ons meestal aan de smallere definitie, die de receptiegeschiedenis als &#8216;vak apart&#8217; binnen de idee\u00ebngeschiedenis beschouwt. Ze wordt over het algemeen gezien als het resultaat van het ontstaan van een canon van belangrijke denkers. Een vergelijkbare ontwikkeling binnen de literatuur- en mediawetenschappen heeft geleid tot het onderzoek naar de receptie van cultuuruitingen.14 Deze trend inspireerde op haar beurt weer talloze cultuurhistorische receptieonderzoeken naar diverse trends door de eeuwen heen \u2020\u201c zo is het zeer waarschijnlijk dat de eerste boeken over de opkomst van de iPhone als cultureel fenomeen al in de maak zijn. De bijdrage van de receptiegeschiedenis als specialisme aan de idee\u00ebngeschiedenis is meer bescheiden. Veel vaker is receptieonderzoek ge\u00efntegreerd in idee\u00ebnhistorisch onderzoek. Er zijn echter grote verschillen in de vorm en mate waarin receptieonderzoek wordt ingezet voor het bestuderen van de idee\u00ebngeschiedenis.<br \/>\nDe filosofische geschiedschrijvers van de generatie-Hume, de eerste historici die nadrukkelijk aandacht besteedden aan idee\u00ebn, waren niet op zoek naar tastbare bewijzen voor de overdracht van het idee. Voor hen maakte niet uit of concept Y daadwerkelijk bij denker B was ontstaan nadat deze in aanraking was gekomen met het vergelijkbare concept X, tien jaar eerder opgeschreven door denker A. Veel belangrijker was namelijk de verspreiding van dat ene vaststaande idee \u2020\u201c zoals de menselijke drang naar vrijheid, of het geloof in bovennatuurlijke verschijnselen \u2020\u201c dat voor de historicus zo belangrijk was (ofwel in positieve, of in negatieve zin) dat de ontwikkeling ervan moest worden getraceerd door de eeuwen heen.<br \/>\nHet verwaarlozen van de ontvangst van idee\u00ebn bij historisch onderzoek kan leiden tot discutabele historische verklaringen. Historische gebeurtenissen kunnen dan namelijk worden toegeschreven aan de aanwezigheid van bepaalde idee\u00ebn in een bepaalde regio op een bepaald moment \u2020\u201c zonder tastbaar bewijs voor het verband tussen de idee\u00ebn enerzijds, en de gebeurtenis anderzijds. Een berucht voorbeeld is de Franse Revolutie. De Bastille was nog niet bestormd of de eerste beschuldigende vingers van de geschokte conservatieven wezen al in de richting van Rousseau en andere vooraanstaande verlichte denkers. Het vermoede verband tussen de Verlichting en de democratische revoluties uit de tweede helft van de achttiende eeuw bleef tot in de twintigste eeuw berusten op onjuiste aannames over de verspreiding van de werken van deze vooraanstaande denkers. In 1910 liet Daniel Mornet zien dat er iets moest veranderen: onder de ruim 20.000 boeken die hij telde in de persoonlijke bibliotheken van Parijzenaren aan de vooravond van de Revolutie, bevond zich slechts \u00e9\u00e9n exemplaar van Rousseau\u02bcs Contrat social.15 In de visie van Mornet waren het wel idee\u00ebn die de Revolutie hadden veroorzaakt, maar niet de idee\u00ebn waarvan zolang werd gedacht dat ze aan de basis hadden gestaan van de Revolutie. Dat Mornet door een aantal missers had verzuimd om het overgrote deel van de receptie van Rousseau\u02bcs werk te registreren,16 deed weinig af aan de invloed van Mornets nieuwe methode.<br \/>\nDe kwantitatieve benadering van Mornet was het eerste geloofwaardige alternatief voor het traditionele receptieonderzoek van de historians of philosophy. Het onderzoek naar het collectieve lezen had nog een lange weg te gaan: hoewel de aanwezigheid van boeken in persoonlijke bibliotheken een indicatie kan geven van de reikwijdte van bepaalde werken, kunnen we uit deze gegevens niet afleiden in hoeverre het boek daadwerkelijk werd gelezen \u2020\u201c laat staan in hoeverre het werd gewaardeerd. De onbereikbaarheid van de \u02bbgemiddelde\u02bc leeservaring vormt een aanzienlijk probleem, waarmee zowel literatuurwetenschappers, historisch letterkundigen als idee\u00ebnhistorici worden geconfronteerd. Zodoende is vanuit deze drie vakgebieden veel nagedacht over de mogelijkheid om wetenschappelijke uitspraken te doen over de receptie van idee\u00ebn.<br \/>\nEen belangrijke bijdrage aan de theorievorming rond dit probleem is geleverd door de Duitse literatuurwetenschapper Hans Robert Jauss. Hij verwierp in een rede uit 1967 de wijze waarop er binnen de literatuurwetenschappen tot dan toe om was gegaan met de literatuur uit het verleden. In plaats daarvan stelde hij een \u02bbliteraire geschiedenis van de literatuur\u02bc voor, die zowel recht zou doen aan het historische als aan het literaire karakter van de teksten.17 Om deze geschiedenis te kunnen schrijven, moest volgens Jauss een hypothetische \u02bbverwachtingshorizon\u02bc van de lezer worden gecre\u00eberd. Deze zou het mogelijk maken om in te schatten in hoeverre het gelezen werk in overeenstemming was met de verwachtingen van de lezer. Boeken die deze horizon doorbraken, vielen waarschijnlijk in eerste instantie niet erg goed bij de lezer. W\u00e9l zou het verschijnen van het werk kunnen bijdragen aan een geleidelijke verschuiving van de verwachtingshorizon, die een zeer gunstige receptie door een latere generatie mogelijk zou maken \u2020\u201c vergelijkbaar met de paradigmawisselingen van Kuhn.18 J. J. Kloek stelde zichzelf in een artikel de vraag of receptiegeschiedenis mogelijk is aan de hand van het programma van Jauss. Na een proef met de Nederlandse receptie van Goethe\u02bcs Werther noemt hij de hypothetische aanpak zinvol, omdat er doorgaans simpelweg te weinig bronnen voorhanden zijn om het achterhalen van de re\u00eble receptie mogelijk te maken. Wel merkt hij op dat het hoge hypothetische gehalte van deze methode de onderzoeker ertoe dwingt om zijn resultaten uiterst voorzichtig te formuleren.19<br \/>\nHistorisch receptieonderzoek is sinds de jaren \u02bb60 aan veranderingen onderhevig geweest, door het ontstaan van meerdere kampen in de idee\u00ebngeschiedenis. Met hun kritiek op de Grote-Namen-benadering van de \u02bboude\u02bc idee\u00ebngeschiedenis hebben deze kampen veel invloed gehad op de wijze waarop de intellectuele geschiedschrijving tegenwoordig wordt beoefend. Wanneer we de lijn van Mornet volgen, komen we uit bij de Franse \u02bbdiffusionistische\u02bc school. In de jaren &#8217;60 ontstond in Cambridge de \u02bbcontextualistische\u02bc school en als laatste in Duitsland de Begriffsgeschichte-school.20 We zullen ons hier richten op de Cambridge-school en de boekgeschiedenis \u2020\u201c waarvan de sociaal-culturele variant, zoals deze wordt gepropageerd door Robert Darnton, veel elementen van de Franse school bevat. Dit doen we aan de hand van enkele recente uitspraken van Quentin Skinner, Robert Darnton en Jonathan Israel. Hoewel er nog altijd veel waarde wordt toegekend aan de Duitse benadering, staat de focus op de langdurige ontwikkeling van individuele concepten van de Begriffsgeschichte het verst verwijderd van een onderzoek naar de verspreiding en ontvangst van Humes werken. Tenzij het woord \u02bbHume\u02bc als concept an sich zou worden beschouwd, dat door de jaren heen van betekenis verandert. Helemaal ondenkbaar is dit overigens niet, maar of deze werkwijze bruikbare resultaten oplevert, is de vraag.<br \/>\nQuentin Skinner en Robert Darnton worden al tientallen jaren gezien als trendsetters binnen de idee\u00ebngeschiedenis. Skinner is er in geslaagd de geschiedenis van het politiek denken een nieuwe impuls te geven met zijn pleidooi voor een historistische benadering van de betekenis van politieke concepten. Hij staat aan de basis van de succesvolle reeks Ideas in context, waarin de eigentijdse betekenis van concepten wordt ge\u00ebvalueerd door hun plaats en gebruik in het toenmalige discours te bepalen. Deze methode om de interpretatie van een tekst af te laten hangen van de context waarin zij gelezen wordt, is te vergelijken met de rol van de hypothetische verwachtingshorizon in het werk van Jauss. Sinds Pococks invloedrijke The Machiavellian moment (1975) is het onderscheiden van verschillende politieke \u02bbtalen\u02bc bovendien een centraal onderdeel geworden van de Cambridge-methode.21 Een interculturele versie van dit onderzoek vinden we bij Fania Oz-Salzberger, die de complicaties bij de overdracht van concepten van een Schots naar een Duits verlicht politiek discours bestudeerde in Translating the Enlightenment (1995).<br \/>\nDaartegenover staat Robert Darnton, die zich heeft ontwikkeld van buitenbeentje tot autoriteit met zijn eigenzinnige aanval op de \u02bboude\u02bc intellectuele geschiedenis, en zijn betoog voor een sociale idee\u00ebngeschiedenis. Zijn Forbidden bestsellers of pre-revolutionary France (1996) keerde Mornets onderzoek om: in plaats van te zoeken naar de boeken van \u00e9\u00e9n auteur, bestudeerde hij de orders die clandestiene boekhandelaren kregen.22 Hierdoor kon hij een lijst opstellen van de populairste titels in Parijs in de voorjaren van de Franse Revolutie. In de jaren \u02bb60 hadden de Amerikaanse cultuurhistoricus Peter Gay en historici van de Franse Annales-school onafhankelijk van elkaar geprobeerd om een \u02bbsocial history of ideas\u02bc van de grond te krijgen,23 maar pas bij Darnton kreeg deze de bij ons bekende vorm, waarin de lees- en denkpatronen van de maatschappelijke onderlaag centraal staan. Hoewel zijn aanpak dicht bij die van de Annales-school staat, is er een groot verschil in vertrouwen wat betreft de historische zeggingskracht van statistische gegevens.<br \/>\nIn het openingsnummer van Contributions, een tijdschrift dat in 2005 werd opgericht om ruimte te bieden aan \u02bbconceptual history\u02bc, vinden we de weerslag van een discussie tussen de twee trendsetters. Onderwerp van debat zijn de mogelijkheden om de disciplines van de intellectuele geschiedenis en de boekgeschiedenis bij elkaar te brengen. Aangezien de moderne receptiegeschiedenis van beide vakgebieden gebruik hoopt te kunnen maken, hinkt ze als \u02bbvak apart\u02bc op twee benen. De mogelijkheden voor een methodologische mengvorm zijn dus ook voor de receptiegeschiedenis interessant. Robert Darnton is positief: ondanks de grote verschillen tussen beide ziet hij kansen, maar alleen wanneer het boek als medium voor expressie wordt gezien, het lezen als interpretatieve bezigheid, en het drukken van een boek als een antwoord op de vraag van het lezend publiek.24<br \/>\nSkinner ziet van het methodologische huwelijk vooral het nut niet in, omdat de twee disciplines andere prioriteiten hebben. De intellectuele geschiedenis streeft in Skinners ogen niet naar een \u02bbdemocratische\u02bc geschiedschrijving, die het meeste waarde hecht aan de geschiedenis van de meerderheid. Wanneer de Cambridge-school blijk geeft van een voorkeur voor de elite, is deze gerechtvaardigd omdat ze een hoger doel nastreeft \u2020\u201c ze zoekt naar de vorming en ontwikkeling van de concepten en theorie\u00ebn die het hedendaagse maatschappelijk leven vorm geven.25 Een cruciaal aspect is volgens Skinner de boekhistorische interesse voor de verspreiding van werken (zowel de wijze waarop als de mate waarin dit gebeurt). Hierin zijn nog maar weinig intellectuele historici ge\u00efnteresseerd, aldus Skinner:<br \/>\n\u2020\u0153It is true that some intellectual historians used to be interested in what came to be known in the German tradition as Reception-history. This kind of study is not much undertaken nowadays, for what seem to me excellent methodological reasons, but in its heyday it gave rise to books with titles like Spinoza in eighteenth-century France, Machiavelli in Modern Germany and so on.\u2020\u009d26<br \/>\nSkinner voegt hieraan toe dat de methode van John Pocock naar zijn mening als alternatief veel betere historiografie oplevert. Wat de genoemde \u02bbexcellent methodological reasons\u02bc zijn om geen traditionele receptiegeschiedenis te schrijven, werd in de ori\u00ebnterende fase van deze scriptie al snel duidelijk: van oplage- en verkoopcijfers ontbreekt vaak ieder spoor, en  het aantal bronnen waarin de reacties van de lezers vastgelegd is altijd te klein om \u00e9cht representatief te zijn. Daar komt nog bij dat alleen bij expliciete verwijzingen of citaten met zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van receptie.<br \/>\nHet recente werk van Jonathan Israel richt zich op de verspreiding van Spinozistische filosofie in de Westerse verlichte wereld, en heeft dus een hoog receptiehistorisch gehalte. Zijn houding in dit debat zou ons moeten kunnen helpen om de mogelijkheden te bepalen voor de receptiegeschiedenis. De Brit bekritiseert zowel de Franse school als de Cambridge-school in zijn pleidooi voor zijn eigen \u02bbcontroversialistische\u02bc benadering. Zijn verwerping van de Franse school van onder andere Roger Chartier is het sterkst: deze heeft, met haar voorkeur voor laag-bij-de-grondse literatuur en haar \u02bbMarxistische\u02bc afkeur jegens de intellectuele geschiedenis, een blinde vlek ontwikkeld ten aanzien van de \u2020\u201c in Israels visie \u2020\u201c belangrijkste verlichte controverses.27 Deze zijn in Israels ogen onmisbaar voor een goed begrip van de Verlichting: deze controverses speelden zich op verschillende sociale niveaus af, maar hadden wel degelijk een sterk filosofisch karakter. Een ander bezwaar van Israel is dat de Franse nadruk op het vinden van mentaliteitsveranderingen noodzakelijkerwijs leidt tot vage conclusies, omdat het vinden van concrete bewijzen hiervoor per definitie is uitgesloten. Israels kritiek op de Cambridge-school moet in het historiografische overzicht in de inleiding van Enlightenment contested vooral worden afgeleid uit zijn herhaling van de kritiek afkomstig van de andere scholen. Deze kritiek houdt kortweg in dat de historici die Pocock en Skinner volgen te veel gericht zijn op het discours in haar politieke context en hierdoor te weinig oog hebben voor sociale ontwikkelingen.28<br \/>\nIn veel opzichten volgt Israel het oordeel van Robert Darnton. Daarom is het interessant om te zien dat Robert Darntons poging, om de Franse school en de Cambridge-school te verenigen, door Israel weinig kans wordt gegeven.29 Met zijn eigen \u02bbcontroversialistische\u02bc benadering van de door hem voorgestelde \u02bbnew intellectal history\u02bc maakt hij namelijk een dubbelslag van vergelijkbare (of zelfs nog grotere) orde: Israel zegt de sterke punten van beide scholen te kunnen samenvoegen, en deze aan te vullen met de diachrone gevoeligheid voor de verschuivende betekenis van concepten die het handelsmerk vormt van de Duitse Begriffsgeschichte.<br \/>\nIn de derde paragraaf van dit hoofdstuk lezen we hoeveel succes de methode-Israel heeft gehad in de historiografie over de Verlichting. Eerst lezen we echter over de wijze waarop de bekritiseerde \u02bboude\u02bc idee\u00ebngeschiedenis Hume een prominente plaats heeft bezorgd in de Westerse filosofie.<br \/>\n1.2: Hume-receptie<br \/>\nMet Hume is iets bijzonders aan de hand. Wanneer we zijn bekendheid op lange termijn beschouwen, zien we dat deze uiteenvalt in een historisch en een filosofisch deel. In de achttiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw werd zijn filosofische werk overschaduwd door het enorme succes van zijn History of England. Zo komt het dat Hume in de catalogus van de British Museum Library nog altijd  \u2020\u0153historicus\u2020\u009d achter zijn naam heeft staan.30 Pas aan het eind van de negentiende eeuw begon de aandacht langzaam te verschuiven naar zijn theoretische werk, en Hume werd door de historians of philosophy alsnog \u02bbontdekt\u02bc als sleutelfiguur in de filosofie.<br \/>\n Bij deze herontdekking van Hume als filosoof  is \u00e9\u00e9n uitspraak van de Duitse filosoof Immanuel Kant waarschijnlijk doorslaggevend geweest. Kant schreef dat Hume hem uit zijn \u2020\u0153dogmatische sluimer\u2020\u009d had gewekt \u2020\u201c een opmerking die ook nu nog veel academici bezighoudt. In eerste instantie kwam Kant  met zijn kritiek op de rede terecht in het zelfde kamp als de sceptische Hume. Hierna zou echter al snel de opvatting ontstaan dat Kant juist tegenover Hume stond, en dat hij verder ging waar Hume was blijven steken \u2020\u201c op het struikelblok tussen waarneming en waarheid, een positie die nu ook wel bekend staat  als \u2020\u0153Hume\u02bcs Problem\u2020\u009d. Hume was dus wel belangrijk, maar slechts als een aangever van Kant, aldus de academici die zich bezighielden met de geschiedenis van de filosofie. Humes ondergeschikte positie blijkt wel uit het feit dat de eerste verzamelde uitgave van diens werken door samensteller T. H. Green werd aangegrepen om duidelijk te maken dat de Schot nog uitsluitend in historisch opzicht relevant was.31 Het zou echter niet lang duren voor enkele Oostenrijkse critici van Kant expliciet de voorkeur gaven aan Hume. Het empirisme en de fundamentele twijfel van Hume waren belangrijke invloeden op Karl Popper en de Wiener Kreis. Met deze belangstelling vanuit de hoek van de wetenschapsfilosofie was Humes naam definitief gevestigd.<br \/>\nIn de jaren \u02bb30 en \u02bb40 verschenen de eerste monografie\u00ebn over Hume van idee\u00ebnhistorici. In het begin van 1938 verscheen van de hand van T. E. Jessop een bibliografie, waarin veel van de eerste reacties op de werken van Hume waren ondergebracht.32 Norman Kemp Smith schreef vervolgens in 1941 het eerste overzichtswerk waarin Humes volledige filosofische oeuvre werd besproken.33 De Britse letterkundige Ernest C. Mossner heeft een belangrijke rol gespeeld in het bijeenbrengen van kennis over Hume en de Hume-receptie. Hij schreef in 1947 het artikel \u02bbThe continental reception of Hume\u02bcs Treatise (1739-1741)\u02bc,34 en werkte daarna lang aan zijn Hume-biografie \u2020\u201c nog altijd de bron voor iedereen die meer wil weten over het leven van Hume.35 In deze biografie uit 1954 gaat Mossner niet alleen uitvoerig in op de totstandkoming van Humes werken, maar ook op de ontvangst ervan. Een mogelijke aanleiding voor Mossners interesse is de Hume-receptie is de waarde die Hume z\u00e9lf hechtte aan de reacties van het publiek, waarover we later meer lezen.<br \/>\nDe belangstelling voor Hume is daarna veruit het grootst geweest in Angelsaksische landen. In Groot-Brittanni\u00eb was er altijd al veel aandacht voor de Schot, die ook op dit moment nog wordt beschouwd als de grootste filosoof die de Britse eilanden ooit hebben voortgebracht.36 In de jaren \u02bb60 van de vorige eeuw nam echter vooral in Noord-Amerika snel toe. Zo schoof de historicus Peter Gay schoof Hume naar voren als Verlichtingsdenker bij uitstek in zijn The Enlightenment: an interpretation, dat lang het standaardwerk was over de Verlichting.37 In de jaren \u02bb70 werd door Canadese Hume-adepten bovendien de Hume Society opgericht; kort daarop volgde het tijdschrift Hume Studies. De aandacht vanuit de Verenigde Staten was af en toe ideologisch gemotiveerd: het op en top Amerikaanse Liberty Fund financierde nieuwe uitgaven van Humes Essays en de History of England. Het feit dat Hume een goede vriend was van Benjamin Franklin, de filosoof-founding father, zal hieraan hebben bijgedragen.<br \/>\nIn de twintigste eeuw is Humes werk vanuit allerlei hoeken opnieuw belicht. Enkele historici hebben in de afgelopen decennia zelfs de History of England weer afgestoft en bestudeerd, nadat dit werk meer dan een eeuw lang was verwaarloosd. De verantwoording voor deze terugkeer naar Humes oorspronkelijke \u02bbbestseller\u02bc lag voor deze historici in de overtuiging dat Humes oeuvre beter tot zijn recht komt wanneer het als \u00e9\u00e9n geheel wordt beschouwd. Want waar de kern van Humes filosofie terugkomt in zijn historische werk, betoogt bijvoorbeeld David Fate Norton, bevat zijn filosofische werk net zo goed een sterke historische component.38 Als deze holistische benadering ons echter iets toont, dan is het wel hoe verdeeld de aandacht voor Hume in voorgaande eeuwen is geweest.<\/p>\n<p>De recente literatuur over de receptie van Humes werk door zijn tijdgenoten en daarna is echter m\u00e9\u00e9r dan de zoveelste wetenschappelijke benadering van Hume. Waar het overgrote deel van het bestaande onderzoek op Hume z\u00e9lf is gericht, en is geschreven met het doel om Humes werken beter te begrijpen \u2020\u201c bijvoorbeeld binnen hun historische context, als uiting van diverse filosofische tradities, of als combinatie van deze twee \u2020\u201c draait receptieonderzoek dit perspectief om: de literatuur over Hume-receptie zoekt juist naar de mogelijke weerslag die Hume heeft gehad op die context en die tradities.<br \/>\nHet is niet verwonderlijk dat de aandacht van historici het eerst uit is gegaan naar de receptie van Humes Treatise. Uiteraard omdat het wordt beschouwd als Humes hoofdwerk, maar zeker ook omdat \u00e9\u00e9n uitspraak van Hume over het traktaat uitnodigde tot nader onderzoek. In het autobiografische essay My own life, dat Hume schreef vlak voor zijn dood in 1776, stond dat zijn eersteling \u2020\u0153doodgeboren van de drukpers\u2020\u009d was gevallen.39 Na Mossners artikel uit 1948 volgden een twintigtal artikelen, enkele boeken en twee uitgebreide bronnenuitgaven over de receptie van Hume, veelal met de eerste reacties op de Treatise als vertrekpunt. Ondertussen weten we dat de Schot zich enigszins aanstelde: er was heus wel gereageerd op zijn traktaat. De eerste reacties op de Treatise werden zoals gezegd waarschijnlijk zelfs in de Republiek gedrukt.<br \/>\nDe meeste aandacht is besteed aan de Hume-receptie in de landen die van oudsher worden gezien als brandpunten van de Verlichting: Engeland, Frankrijk en Duitsland. Naar de Britse ontvangst is uiteraard het meeste onderzoek gedaan, en in de bronnenuitgave van James Fieser is dan ook het meeste plek ingeruimd voor de reacties uit Humes thuisland. Ook is er relatief vroeg onderzoek gedaan naar de receptie van Humes werken in Frankrijk door Laurence Bongie. Hij bestudeerde de manieren waarop Humes interpretatie van de geschiedenis aansluiting vond bij de heersende overtuigingen in Franse reactionaire kringen na de Franse Revolutie.40 Opvallend is dat uitsluitend de Duitstalige studies naar Hume-receptie precies het soort titel hebben waar Skinner in het citaat uit de vorige paragraaf naar verwijst: \u2020\u0153Hume in der Deutsche Aufklarung\u2020\u009d en \u2020\u0153Hume in Deutschland\u2020\u009d.41 De relatie tussen Hume en Kant neemt in deze literatuur een belangrijke plaats in. Manfred Kuehn, die onder andere een biografie van Kant schreef, leverde ook een bijdrage aan Peter Jones\u02bc recente bundel The reception of David Hume in Europe.<br \/>\nMarc G. Spencer heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de Hume-receptie in Amerika, de andere grote afzetmarkt voor Engelstalige werken. Ook van zijn hand is een bronnenuitgave uitgegeven door Thoemmes \u2020\u201c dezelfde uitgeverij als de uitgave van Fieser \u2020\u201c waarin voornamelijk negentiende-eeuwse reacties op Hume zijn verzameld.42 Spencers gepubliceerde proefschrift David Hume and early eighteenth-century America (2005) gaat echter over de receptie van Hume in de decennia  rondom de Amerikaanse revolutie.43 Zijn aanpak is zeer veelomvattend: zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek wordt door Spencer ingezet om uitspraken te kunnen doen over de invloed van Humes werk in het jonge Amerika. Zo bekeek hij 708 boek-catalogi (onder andere afkomstig van boekveilingen, voorraadlijsten van boekhandels en bibliotheken), en bestudeerde Spencer talloze bronnen zoals pamfletten, tijdschriftartikelen en brieven. Het doel van dit alles was het weerleggen van de heersende opvatting dat Hume veel te conservatief was geweest om invloed uit te oefenen op revolutionaire Amerikanen. Hoewel er lovende woorden zijn gekomen voor de enorme reikwijdte van Spencers onderzoek, was de kritiek dat zijn conclusies over de betekenis van Hume voor achttiende-eeuwse Amerikanen niet altijd overtuigen.44<br \/>\nDe zestien artikelen in de bundel van Jones zijn logischerwijs minder uitgebreid, maar daarvoor krijgen we een aantal thematische en een groot aantal nationale receptiegeschiedenissen voor terug. Niet alleen de landen die we gemakkelijk in verband brengen met de Verlichting zijn in de bundel van Jones weer vertegenwoordigd \u2020\u201c hoewel de bijdragen over de receptie in Duitsland en Frankrijk overigens w\u00e9l veruit het omvangrijkste zijn. Ook landen die ver van het centrum van Europa verwijderd waren; landen waar van de Verlichting niet veel meer overbleef dan een zwak schijnsel (zoals Roemeni\u00eb). Er zitten zelfs landen bij waarvan de eigen \u02bbverlichtheid\u02bc in de achttiende eeuw nog altijd niet zonder tegenstribbelen wordt erkend (zoals Zweden).45 In deze verzameling zou de Republiek tussen al deze landen dus ergens in het midden zijn terechtgekomen \u2020\u201c de \u02bbverlichtheid\u02bc van Nederland was immers ook niet altijd vanzelfsprekend.<br \/>\n1.3: De Verlichting(en) in Nederland<br \/>\nEnigszins vergelijkbaar met de herontdekking van Hume als filosoof is de wijze waarop de Verlichting in Nederland ongeveer dertig jaar geleden een herwaardering ondervond. Er zijn twee redenen op te noemen voor het feit dat de verlichte filosofie in Nederland eerder amper aandacht kreeg. De eerste is dat de geschiedenis van de filosofie in Nederland in zijn geheel nauwelijks werd bestudeerd, in tegenstelling tot in andere landen. Ferdinand Sassen was lange tijd de enige die zich serieus met filosofie bezighield. Hij was er echter, net als de meeste historici, van mening dat de Verlichting grotendeels aan ons land voorbij was gegaan. Deze opvatting, de tweede reden voor de verwaarlozing van de Verlichting in Nederland, vond zijn oorsprong bij de Nederlandse verlichte geesten z\u00e9lf: zij waren geobsedeerd door het ogenschijnlijke verval van de Republiek op politiek, economisch en cultureel gebied na de Gouden Eeuw.<br \/>\nBijna twee eeuwen lang werd er nauwelijks aan deze negatieve voorstelling van zaken getwijfeld: vaderlandse historici Jan en Annie Romein meenden de verklaring voor de teleurstellende filosofische prestaties in de achttiende eeuw te hebben gevonden in de \u2020\u0153toestand van staat van maatschappij\u2020\u009d, die destijds \u2020\u0153in het algemeen het genie tot talent en het talent tot middelmatigheid heeft gedoemd.\u2020\u009d46 Het effect van de Verlichting op de achttiende-eeuwse Republiek werd uiteindelijk pas serieus getoetst door H.H. Zwager, in Nederland en de Verlichting (1972). Maar zelfs Zwager, die de Nederlandse verlichte verrichtingen vergeleek met die van de Franse philosophes, zag slechts een \u2020\u0153beperkt effect, zonder reden voor trots\u2020\u009d.47<br \/>\nTwee boeken, beide gepubliceerd in 1981, hebben ervoor gezorgd dat er een verschuiving plaats kon vinden in de richting van een positiever beeld van de Verlichting in Nederland. Allereerst maakte de bundel Enlightenment in national context van Roy Porter het mogelijk om af te stappen van de notie van \u00e9\u00e9n Verlichting, gemodelleerd naar de Franse variant.48 Er ontstond ruimte voor meerdere nationale Verlichtingen, elk met zijn eigen  karakter. Sassens idee dat Nederland een reformatorische Verlichting had gekend, kon dus opnieuw worden ingezet bij de karakterisering van de Nederlandse Verlichting.<br \/>\nEen tweede belangrijke aanzet voor de herwaardering van de Verlichting in Nederland werd gegeven door Margaret Jacob, die de radicale Verlichting introduceerde als thema binnen de historiografie.49 Haar studie The radical Enlightenment: pantheists, freemasons and republicans legde een deel van het voornamelijk ondergronds opererende netwerk van vrijdenkers bloot, dat sinds Spinoza in Engeland en de Republiek garant stond voor de meest extreme varianten van de Verlichting. Wat bijvoorbeeld begon met Spinoza\u02bcs panthe\u00efsme zou via de activiteiten van dit netwerk uitmonden in het athe\u00efsme van D\u02bcHolbach en De la Mettrie. Toch bleven er nog veel onduidelijkheden ontstaan over deze radicale verlichters, omdat Jacobs onderzoek werd bemoeilijkt door de geheimzinnigheid waarmee de vrijdenkers zich omhulden. Meestal deden de radicale denkers dit uit lijfsbehoud, maar soms ook uit eigen keuze, zoals wanneer ze verbonden waren aan een vrijmetselaarsloge. Toch slaagde Jacob er niet alleen in om aan te tonen dat er meerdere Verlichtingen vielen te identificeren, maar ook dat in de zeventiende eeuw een groep Nederlandse denkers vooraan liep in \u00e9\u00e9n van deze Verlichtingen.<br \/>\nIn de ruimte die door bovenstaande titels was gecre\u00eberd, zouden in daaropvolgende jaren studies verschijnen die het eigen karakter van de Verlichting in Nederland benadrukten of, zoals het werk van Wim Klever en Wiep van Bunge, Spinoza en zijn kring verder onderzochten.50 Nederlandse literatoren en spectatoren werden bestudeerd, maar ook de Nederlandse genootschappen, de Nederlandse leescultuur en het Nederlandse zelfbeeld. Daarnaast werd, twintig jaar na Zwager, de mate van \u02bbverlichtheid\u02bc in Nederland door J. W. Buisman opnieuw gemeten in zijn proefschrift Tussen vroomheid en verlichting.51 In 1992 zetten Wijnand Mijnhardt en Margaret Jacob in The Dutch Enlightenment het beeld van een in zichzelf gekeerde \u02bbNederlandse\u02bc Verlichting definitief op de voorgrond. Niet iedereen was even blij met deze benadering, waarin het kosmopolitische karakter van de Verlichting werd gereduceerd tot de internationale contacten van enkele figuren \u2020\u201c zoals dat van Elie Luzac. Het sterkste verzet tegen deze \u02bbnationale\u02bc benadering was echter afkomstig van Jonathan Israel.<br \/>\nJonathan Israel heeft het stokje van Jacob overgenomen en maakte van de verspreiding van de idee\u00ebn van Spinoza en de radicale Verlichters een breekijzer om andere interpretaties van de Verlichting te \u02bbkraken\u02bc. In Radical Enlightenment (2001) legde Israel uit dat hij af wilde van de notie van meerdere Verlichtingen en in plaats daarvan wilde hij de Europese Verlichting weer als \u00e9\u00e9n  intellectuele en culturele beweging presenteren. De radicale Verlichting was echter de zeer hechte stroming binnen deze beweging die het meeste aandacht verdiende, omdat ze de basis vormt van moderne verworvenheden als democratie, tolerantie en vrijheid van meningsuiting.52<br \/>\nHoewel enigszins met zichzelf in tegenspraak \u2020\u201c Henri Krop merkte al op dat Israel hiermee in feite zelf \u00f3\u00f3k twee Verlichtingen liet bestaan \u2020\u201c53 maakte Israels handzame these veel indruk. De manier waarop Israel deze these verdedigde was misschien n\u00f3g indrukwekkender: de Brit leek alle literatuur te hebben gelezen en alle bronnen te kennen. Na het recentere Enlightenment contested (2006), waarin Israel de interactie tussen de \u02bbsocio-politieke context\u02bc en de intellectuele ontwikkelingen in kaart heeft willen brengen,54 is het wachten op een derde boek, waarin Israel de radicale Verlichting volgt tot haar hoogtepunt, de democratische revoluties van het eind van de achttiende eeuw. In zijn KB-lezing \u02bbFailed enlightenment\u02bc (2007) gaf Israel alvast een voorproefje: de Republiek had de erfenis van Spinoza in de tweede helft van de achttiende eeuw grotendeels verkwanseld, en de inspanningen van Franse radicale Verlichters om de Patriottenbeweging te helpen haar democratische idealen te verwezenlijken bleken tevergeefs. Historici hebben bovendien in Israels ogen te lang verzuimd het belang in te zien van de Nederlandse radicale Verlichting, en niet in de laatste plaats waar het gaat om de fase na 1770.55<br \/>\nZoals gezegd is Israels werk bepalend geweest voor ons huidige beeld van de Verlichting in Nederland. Dat dit ook zijn weerslag heeft gehad op de historiografie, blijkt bijvoorbeeld uit de wijzigingen die doorgevoerd werden bij de publicatie van het proefschrift van Marcel Wielema, over de relatie tussen de gereformeerde kerk en de Verlichting. In de gedrukte versie had Elizabeth Wolff, boegbeeld van de Nederlandse volksverlichters, plaats gemaakt voor Pontiaan van Hattem, \u00e9\u00e9n van de Spinozistische denkers uit de vroege Verlichting. Het oorspronkelijke oordeel dat de tweede helft van de achttiende eeuw minder interessant was in vergelijking met de zeventiende eeuw leek in dit geval opnieuw de kop op te hebben gestoken.<br \/>\nZowel de belangstelling voor de vroege Verlichting als de door Israel bekritiseerde  verwaarlozing van de fase zien we terug in de studie 1800: Blauwdrukken van een samenleving (2001) van Kloek en Mijnhardt. Niet alleen lieten zij dit boek, dat het \u02bbijkpunt\u02bc 1800 als uitgangspunt had, beginnen in 1650, maar ook leken zij weinig onder de indruk van de politieke onderneming van de Patriotten in de late achttiende eeuw.56 De politieke filosofie van de achttiende eeuw is overigens vrijwel het enige thema in de intellectuele geschiedenis van de achttiende eeuw dat ook v\u00f3\u00f3r 1980 op substanti\u00eble aandacht kon rekenen, van (onder anderen) E. H. Kossmann, C. H. E. De Wit en I. L. Leeb.57 Recent onderzoek naar de verlichte politieke idee\u00ebn in Nederland is vooral gedaan door Van Sas, Velema en Van Eijnatten, waarvan de laatste met zijn onderzoek naar de Nederlandse tolerantie een veel aangehaald clich\u00e9 heeft doorgelicht.58<br \/>\nMede vanwege de enorme groei van de boek- en tijdschriftenproductie in de achttiende eeuw zijn veel nieuwe inzichten over de Verlichting in Nederland afkomstig uit de hoek van de boekgeschiedenis en de geschiedenis van het lezen. Deze literatuur is bovendien relevant voor deze scriptie omdat ze ons informatie verschaft over het veld waarin de werken van Hume verschenen. Het waren wederom Mijnhardt en Kloek die voorop liepen in het onderzoek naar de leescultuur, met een studie over de leescultuur in Middelburg \u2020\u201c met als kanttekening dat hun studie vooral de vroege negentiende eeuw bestreek.59 Hierop volgden studies die Engelsings theorie van een leesrevolutie nuanceerden,60 zoals Hannie van Goinga\u02bcs \u02bbAlom te bekomen\u02bc (1999) en Jos\u00e9 de Kruifs studie naar de leescultuur in Den Haag, Liefhebbers en gewoontelezers (1999). Ook het achttiende-eeuwse boekhandelsbedrijf bleek een dankbaar onderwerp voor historici. Zo onderzocht Han Brouwer de klantenboeken van boekhandel Tijl in Zwolle en werd er opnieuw naar Elie Luzac gekeken door Rietje van Vliet, die vooral zijn werk als uitgever en boekverkoper bestudeerde.61<br \/>\nHet onderzoek naar Nederlandstalige tijdschriften in de achttiende eeuw staat nog in zijn kinderschoenen. G. J. Johannes onderzocht  of tijdschriften in deze periode juist als \u02bbspiegel\u02bc of als \u02bbmotor\u02bc van de Verlichting fungeerden.62 Slechts een aantal tijdschriften zijn uitvoeriger bestudeerd. Hierbij is veel aandacht uitgegaan naar Justus van Effen en diens Hollandsche Spectator, het eerste Nederlandse spectatoriale tijdschrift. P. J. Buijnsters schreef niet alleen over Van Effen, maar was tevens de eerste die de achttiende-eeuwse spectatoriale tijdschriften te inventariseren.63 Daarnaast wordt er op dit moment door een collectief rond Andr\u00e9 Hanou en Rietje van Vliet gewerkt aan een Encyclopedie van Nederlandstalige Tijdschriften tot 1815 (ENT).64 Ten slotte is de rol van tijdschriften in de receptie van buitenlandse filosofen verkend door Marcel Wielema. In 1991 maakte hij \u2020\u201c na een eerste inspanning van Th.H.M.Verbeek uit 1972 \u2020\u201c een  \u02bbChronologische lijst van de recensies van filosofische werken in achttiende-eeuwse Nederlandse tijdschriften\u02bc, waar ook in deze scriptie gebruik van wordt gemaakt.<\/p>\n<p>Over de receptie van buitenlandse denkers in de Republiek is vooral geschreven binnen de kaders van breder onderzoek. Israels werk is wat schaal betreft uitzonderlijk: hij toont de lezer talloze recepties van Spinozistische idee\u00ebn, met betrekking tot een hele reeks onderwerpen. Bescheidener van formaat en opzet zijn de studies van Nederlandse historici, zoals De genoegzaamheid van het natuurlijk gezond verstand (2000) van De Quay. Hierin wordt veel verwezen naar de positieve receptie van de Schotse common sense-filosofen, die kritiek uitten op de sceptische werken van denkers als Hume.65 Het boek van De Quay maakt deel uit van de reeks behorende bij het NWO-programma Nederlandse cultuur in Europese context, dat ook aan de basis stond van het boek van Kloek en Mijnhardt over het \u02bbijkpunt\u02bc 1800. Bij dit onderzoeksprogramma was als vanzelfsprekend de overdracht van idee\u00ebn uit de rest van Europa naar Nederland een belangrijk onderdeel.<br \/>\nToch zijn er ook een aantal \u02bbpure\u02bc receptie-onderzoeken gedaan naar de ontvangst van buitenlandse denkers in de verlichte Republiek. Uit de inleiding van dit voorstel bleek al dat naar de Franstalige philosophes meerdere studies zijn verschenen. Walter Gobbers deed dit het eerst, \u00e9n het meest uitgebreid, met zijn \u02bbinvloedenstudie\u02bc naar de receptie van Rousseau in Holland. Hij is duidelijk be\u00efnvloed door het Franse kwantitatieve receptieonderzoek, maar  gaat ook in op de inhoudelijke kanten van Rousseau\u02bcs receptie. Uiteindelijk is de zeer voorzichtige conclusie behoorlijk teleurstellend: \u2020\u0153de invloed van de \u2020\u0153burger van Gen\u00e8ve\u2020\u009d op de Republiek mocht \u2020\u0153als uiterst miniem worden beschouwd\u2020\u009d, en anders bleef hij \u2020\u0153beperkt tot enkele uitzonderlijke en individuele gevallen\u2020\u009d.66<br \/>\nIn latere studies komen andere benaderingen naar voren. Een voorbeeld is het essay van Wyger Velema, over de manieren waarop Nederlandse republikeinen Montesquieu interpreteerden in het debat over de vormgeving van de staat. Velema legt de nadruk op de diverse betekenissen die de diverse deelnemers aan dit debat verbonden aan de idee\u00ebn van Montesquieu. Velema\u02bcs werkwijze getuigt van de invloed van Pocock, en toont de \u02bbcontextualistische\u02bc aanpak die eerder werd beschreven. Ten slotte geeft het essay dat Joris van Eijnatten geschreven heeft over de receptie van Voltaire in de Republiek weinig meer dan een impressie van de Voltaire-receptie. Wie ge\u00efnteresseerd is in de verspreiding van de idee\u00ebn van Voltaire moet dus waarschijnlijk wachten op Israels derde boek, waarin ook over de rol van Voltaire in de Verlichting in Nederland zal worden gesproken.<br \/>\nTen besluit weten we inmiddels uit de bestaande literatuur dat de idee\u00ebn van de Duitse filosofen Leibniz en Wolff door veel denkers in de Republiek goed werden ontvangen. Maar ook over de Nederlandse houding ten opzichte van enkele Duitse tijdgenoten is inmiddels iets bekend. De achttiende-eeuwse (en dus vroege) receptie van Kant is dankzij diens reputatie zelfs in meerdere keren onderzocht, met als meest recente bijdrage het artikel van Ernst-Otto Onnasch.67 Wat opmerkelijk is dat Onnasch, ondanks de beperkte reikwijdte van zijn onderzoek, hoog opgeeft over de invloed van Kant: \u2020\u0153Het Nederlandse Kantianisme heeft [\u2020\u00a6] in het sociaal-culturele leven diepe sporen achtergelaten\u2020\u009d,68 vertelt hij in de inleiding van het artikel. Maar uiteindelijk komt Onnasch tot de conclusie dat het nogal tegenviel met de \u2020\u0153algemene acceptatie van Kants filosofie\u2020\u009d, en ook \u2020\u0153neemt de discussie rond de filosofie van Kant in de eerste jaren van de negentiende eeuw sterk af\u2020\u009d.69<br \/>\nOf Humes filosofie een vergelijkbaar lot onderging zal nog blijken. Dit onderzoek naar de receptie van Hume komt misschien tot voorzichtiger uitspraken, maar maakt zich in ieder geval geen illusies over de invloed van Hume op het Nederlandse sociaal-culturele leven \u2020\u201c en leidt hierdoor hopelijk tot minder tegenstrijdige conclusies.<br \/>\n2: Operationalisering<br \/>\nHet scriptie-onderzoek is breed van opzet en heeft een verkennend karakter. Er is gekozen voor een tweedelige opzet: \u00e9\u00e9n deel over de verspreiding van Humes werk in Holland, en \u00e9\u00e9n deel over de ontvangst ervan in Nederlandstalige tijdschriften. Het verkennend karakter komt vooral naar voren in twee case-studies, die de twee hoofdlijnen van de scriptie ondersteunen, maar vooral dienen als verkenning van de mogelijkheden voor nader onderzoek. <\/p>\n<p>Onderstaande hoofdstukindeling is onder voorbehoud: van een deel van het bronnenmateriaal is nog onduidelijk hoeveel informatie het oplevert, en het is goed denkbaar dat er bij het tweede deel wordt gekozen voor een andere ordening van de gegevens, zoals een chronologische of thematische indeling.<\/p>\n<p>1. Productie, distributie en consumptie<br \/>\n1.Humes uitgevers<br \/>\n2.Humes vertalers<br \/>\n\u00e2\u2020\u2019 item: een Hume-vertaling<br \/>\n3.Humes verkopers<br \/>\n4.Humes lezers<br \/>\n\u00e2\u2020\u2019 item: Hume in Haarlemse veilingcatalogi<br \/>\n2a. Hume in tijdschriften: recensies<br \/>\n1.De Treatises en Enquiries?<br \/>\n2.\u02bcWijsgeerige en staatkundige verhandelingen\u02bc<br \/>\n3.\u02bcHistorie van Engeland\u02bc<br \/>\n4.\u02bcHet leeven van David Hume, Schildknaap\u02bc<br \/>\n2b. Hume in tijdschriften: verwijzingen<br \/>\n1.Algemeen-culturele tijdschriften<br \/>\n2.Specialistische tijdschriften<br \/>\n3.Spectatoren<\/p>\n<p>In dit hoofdstuk zal eerst de afbakening van het onderzoek worden besproken. Voor het eerste en het tweede deel zullen een aantal verschillende soorten bronnen bestudeerd worden, elk met zijn eigen conventies en mogelijke problemen voor de onderzoeker. Daarom zal in de tweede paragraaf de methodologie worden besproken voor het eerste deel, over de verspreiding: productie, distributie en consumptie van Hume. Er wordt uitgelegd om welke bronnen het gaat, hoe er met eventuele problemen wordt omgegaan, en welke vragen er aan de bronnen worden gesteld. Ook zal het gebruik van secundaire literatuur worden toegelicht, \u00e9n de manier waarop de gebruikte methodologie overeenkomt met de bestaande literatuur. In de derde paragraaf zal hetzelfde worden gedaan voor het tweede deel van de scriptie, over de ontvangst (en verspreiding) van Humes idee\u00ebn in tijdschriften. Ten slotte zal de keuze voor een \u02bbcontextualistische\u02bc, een \u02bbdiffusionistische\u02bc of een \u02bbcontroversialistische\u02bc benadering worden<br \/>\n2.1: Afbakening<br \/>\nBij het bronnenonderzoek wordt getracht om de grenzen van het gewest Holland aan te houden. Deze beslissing is voornamelijk ingegeven door de noodzaak om het onderzoek in te perken. Toch is de keuze voor Holland niet helemaal willekeurig: zonder de bijdragen van andere gewesten aan het politieke en culturele leven uit te willen vlakken, valt er nauwelijks te ontkomen aan het feit dat Holland op beide terreinen een brandpunt was binnen de Republiek. Met deze reden zijn de uitgevers, boekverkopers en tijdschriften die in deze scriptie voorkomen, uitsluitend gezocht in Holland. Toch houdt het onderzoek niet helemaal op buiten de provinciegrenzen: een uitzondering wordt gemaakt voor Nederlandse Hume-lezers die toevallig ergens anders woonden, maar onmiskenbaar invloedrijk waren in het publieke leven in Holland.<br \/>\nHet onderzoek is bovendien toegespitst op de tweede helft van de achttiende eeuw, met 1739 als vertrekpunt. In dat jaar verscheen Humes eerste werk op de Engelse markt, en was het dus in theorie mogelijk dat Hollanders in aanraking kwamen met de idee\u00ebn van Hume. De keuze om het onderzoek de rest van de eeuw te laten bestrijken is allereerst een keuze om ruimte te bieden aan de volledige reikwijdte van Humes idee\u00ebn en het gehele spectrum tussen het bejubelen en verguizen van deze idee\u00ebn zichtbaar te maken. In de scriptie is daarom niet alleen aandacht voor de rustige beginjaren na het verschijnen van zijn latere hoofdwerk, de Treatise en de succesvolle jaren van de Essays en de History of England, ook de turbulente jaren die volgden na zijn dood komen aan bod. Zijn meest controversi\u00eble werk, de Dialogues concerning natural religion, veroorzaakte in die tijd een grote schok onder het publiek, dat Hume vooral had leren kennen als begenadigd staatkundige en historicus.<br \/>\nHet feit dat het publieke debat over de politieke inrichting van de Republiek juist in de laatste decennia van deze eeuw tot een hoogtepunt kwam, is een extra motivatie om deze periode mee te nemen in een onderzoek naar de Hollandse omgang met Hume. Niet alleen was de Schot een toonaangevend staatkundig denker; met zijn verlichte conservatisme bevond hij zich op de grens tussen het behouden van traditionele machtsstructuren en het benadrukken van het belang van vrijheid \u2020\u201c precies de terreinen waartussen de strijd in de Republiek zich afspeelde.<br \/>\nDe keuze om de zoektocht naar Hume-verwijzingen te staken bij de eeuwwisseling is uiteindelijk wederom een keuze om het onderzoek niet te groot te laten worden. Na 1780 groeit bovendien de belangstelling voor Kant en dan verloopt een aanzienlijk deel van de Hume-receptie via de receptie van Kant. Hoewel dit fenomeen erg interessant is, zou een volledig beeld van deze \u02bbKantiaanse\u02bc Hume-receptie teveel ruimte in beslag nemen. Zoals duidelijk werd uit het vorige hoofdstuk is over de vroege Hollandse Kant-receptie bovendien al het \u00e9\u00e9n en ander bekend. Het loont daarom waarschijnlijk de moeite om voor deze periode juist de nadruk te leggen op andere debatten in Holland waarin Humes idee\u00ebn ingezet werden.<br \/>\nMet uitzondering van enkele in het Frans geschreven brieven zullen voor dit onderzoek hoofdzakelijk Nederlandstalige bronnen worden gebruikt. Deze beslissing ligt in het verlengde van de keuze voor de tweede helft van de achttiende eeuw. Dit was namelijk de periode waarin de Verlichting in de Republiek \u02bbvernederlandste\u02bc. Terwijl de invloed van Franstalige tijdschriften in de Republiek begon af te nemen, werd het Nederlands steeds meer gezien als d\u00e9 taal om verlichte idee\u00ebn over te brengen. Net als in Schotland begonnen ook de verlichters in Holland overtuigd te raken van de noodzaak om gewone burgers te laten profiteren van de nieuwe kennis over mens en maatschappij. Met de keuze voor Nederlandse bronnen kunnen we bovendien met zekerheid zeggen dat ze ook door het Hollandse publiek werden gelezen, iets dat bij de tijdschriften van de Hugenoten nauwelijks kon worden vastgesteld.70<br \/>\nDe keuze om het tweede deel van het receptieonderzoek, waarin de ontvangst van de Hollandse lezers aan bod komt, te beperken tot tijdschriften is veruit de meest rigoureuze afbakening van het onderzoek. In de eerste plaats omdat bij het vooronderzoek meer dan vijftig afzonderlijke bronnen van een ander type (waaronder boeken, brieven en pamfletten) zijn opgedoken waarin naar Hume wordt verwezen. Een volledige van deze bronnen zal echter onderdeel uitmaken van de uiteindelijke scriptie, om nader onderzoek te vergemakkelijken. De bronnentijdbalk op mijn werkblog zal deze bronnen bovendien w\u00e9l weergeven \u2020\u201c een toelichting bij deze tijdbalk volgt in het laatste hoofdstuk.<br \/>\nHet offer dat gebracht wordt is echter niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief: in boeken was vanzelfsprekend meer ruimte om uitgebreid in te gaan op Humes idee\u00ebn dan in tijdschriften. Onderzoek naar de receptie van complexe thema\u02bcs als de science of man worden hierdoor aanzienlijk beperkt. Dat betekent echter niet dat er uitsluitend oppervlakkige reacties op Hume tot onze beschikking staan: in de \u02bbverhandelingen\u02bc van geleerde genootschappen wordt bijvoorbeeld wel degelijk op hoger niveau gedebatteerd. Het voordeel is bovendien dat intensiever onderzoek kan worden gedaan naar de distributie van Humes werken en de ontvangst en verspreiding van zijn idee\u00ebn in tijdschriften. Tijdschriften waren daarnaast een toegankelijker \u2020\u201c want goedkoper \u2020\u201c medium dan boeken, en vertolkten in toenemende mate de volksverlichtende idealen van de makers. De vraag of Humes idee\u00ebn een rol hebben gespeeld bij het verlichtende project van de tijdschriften is op zich al interessant genoeg.<br \/>\nOndanks de brede opzet van deze scriptie, betekent deze afbakening dat er nog veel vragen onbeantwoord blijven over de receptie van Hume in Holland. Voor een volledig beeld van de receptie van Hume in Holland dienen als vanzelfsprekend ook verwijzingen naar Hume in boeken, brieven en pamfletten te worden onderzocht. Een onderzoek naar de omgang met Humes idee\u00ebn in latere periodes, en dan met name de vroege negentiende eeuw, zou eveneens veel nieuwe inzichten kunnen verschaffen. De belangstelling voor  Hume vanuit de Kantiaanse kring \u2020\u201c in dit onderzoek nauwelijks behandeld \u2020\u201c  kan dan bijvoorbeeld w\u00e9l volledig in kaart gebracht worden.<br \/>\n2.3: Methodologie I: (re)productie, distributie en consumptie<br \/>\nIn de idee\u00ebngeschiedenis is er steeds meer aandacht voor de praktijk van het schrijven en, minstens zo belangrijk wanneer we bezig zijn met receptieonderzoek, de praktijk van het lezen. Historici beperkten zich voorheen meestal tot een beschrijving van de politieke situatie, wanneer iets moest worden gezegd over de context waarin een boek werd geschreven of gelezen. De boekgeschiedenis en de geschiedenis van het lezen helpen de idee\u00ebnhistoricus door de processen rondom de productie, distributie en consumptie van cultuur (zoals Wijnand Mijnhardt het eens noemde) inzichtelijk te maken.<br \/>\nIn hoofdstuk 1 wordt daarom getracht een antwoord te vinden op een aantal vragen over de (re)productie en distributie en consumptie van Humes werk. Hoe kwamen deze in de Republiek terecht en in welke vorm waren ze beschikbaar voor de Hollandse lezer? Welke rol speelden vertalers in de receptie van Humes idee\u00ebn? Hadden Humes werken te maken met censuur? En bij wie kwamen de werken terecht?<br \/>\nHet beantwoorden van deze vragen is echter , wat bronnen betreft, zeer problematisch. In de beginfase van het onderzoek was het hoofddoel van de scriptie om het netwerk van betrokken correspondenten, uitgevers, vertalers en boekverkopers met Darntonesque precisie bloot te leggen. Een dergelijke microscopische benadering bleek echter moeilijker dan gedacht: van veel boekhandelaren en uitgevers is namelijk zeer beperkt archiefmateriaal bewaard gebleven. Het archief van de firma Ensched\u00e9 in Haarlem, en het Luchtmans-archief  (met een haast volledige bedrijfsboekhouding op ruim 800 microfiches) zijn uitzonderlijk. Door de schaarste aan bronnen is een gericht onderzoek naar de distributie van de werken van \u00e9\u00e9n auteur erg moeilijk. Om toch stap voor stap te reconstrueren hoe Humes boeken werden ge\u00efntroduceerd op de Hollandse markt, wordt in dit hoofdstuk  informatie uit de in Holland gedrukte Hume-uitgaven, veilingcatalogi, advertenties en brieven gecombineerd met informatie uit de reeds beschikbare secundaire literatuur..<\/p>\n<p>Een belangrijke schakel in de keten tussen auteur en lezer is de uitgever, wiens sturende kracht in de verspreiding van idee\u00ebn relatief laat is ontdekt. De rol van de uitgever komt naar voren in The Enlightenment &#038; the book van Richard B. Sher, over de totstandkoming en verspreiding van de publicaties van Schotse auteurs. Hierin laat Sher zien hoe ingewikkeld het achttiende-eeuwse uitgeversvak was, en toont hij de soms moeizame wisselwerking tussen de filosoof en zijn uitgever.71  Deze had soms grote invloed op de vorm waarin de idee\u00ebn bij de lezer terechtkwamen. Hume beklaagde zich bij zijn uitgever over de \u2020\u0153abominabele\u2020\u009d eerste editie van de History of England, en over het feit dat er zo veel exemplaren waren gedrukt.72 De wijzigingen die hij wilde aanbrengen, konden namelijk pas bij een volgende druk geplaatst worden.<br \/>\nHet eerste deel onderzoekt dan ook de wijze waarop Humes uitgevers in Holland zijn boeken op de markt probeerden te zetten. Hierover is al het \u00e9\u00e9n en ander bekend, dankzij de correspondentie die Hume heeft achtergelaten. Veel informatie zal echter ook uit secundaire literatuur komen: belangrijke boeken waarin het netwerk van Hume wordt beschreven, zijn het al genoemde The Enlightenment &#038; the book van Sher en Mossners biografie The life of David Hume. Informatie over de Hollandse uitgevers van Humes werk wordt voornamelijk gezocht in hun Hume-uitgaven zelf. Niet alleen zal naar de uiterlijke kenmerken van het boek worden gekeken, maar ook naar het voorwerk. Vaak werd een (vertaalde) uitgave voorafgegaan door een voorwoord, geschreven door de vertaler of de uitgever zelf.  Ten slotte zal aan de hand van bestaande literatuur over censuur in de Republiek worden bepaald of er in Holland maatregelen zijn getroffen om de verspreiding van Humes werk tegen te gaan. Hierbij moet worden gedacht aan de boekenlijsten van Knuttel, en het recentere werk van T. Jongenelen over de censuur in Amsterdam.73 <\/p>\n<p>In het tweede deel zal de totstandkoming van de vertalingen van Humes werken aan bod komen. Deze vormen vaak het vertrekpunt voor receptieonderzoek: Gobbers deed dit voor Rousseau en Gawlick en Kreimendahl deden dit voor Hume in Duitsland. De bijdrage over van Emilio Mazza in Peter Jones\u02bc bundel gaat zelfs uitsluitend over de beschikbare Italiaanse Hume-vertalingen.74 E\u00e9n vraag die gesteld kan worden is of Humes werken direct \u2020\u0153uit het Engelsch\u2020\u009d weden vertaald, of dat er wellicht werd uitgegaan van een Franse of Duitse vertaling als brontekst? Er zal onder andere worden gekeken naar de opmerkingen van uitgevers en vertalers over de vertaling zelf, die soms in het voorwerk te vinden waren. Een ander fenomeen dat kan worden onderzocht is de gewoonte van sommige vertalers om de tekst van commentaar te voorzien in de vorm van noten. De correspondentie van Hume over vertalingen van zijn werk moet daarnaast een beeld geven van de zoektocht naar de juiste vertaler.<br \/>\nIn de hieraan verbonden case-study wordt er dieper op het vertaalproces ingegaan dan gebruikelijk is bij receptieonderzoek: de vertaling van \u00e9\u00e9n essay van Hume wordt naast het origineel gelegd en nauwkeurig bestudeerd. Dit kan ons een aanwijzing geven over de vertaalbaarheid van Humes werken en een indruk te geven van de interpretatieve rol van Humes vertalers bij de verspreiding van zijn idee\u00ebn. Ge\u00efnspireerd door het werk van Fania Oz-Salzberger werd eerst beoogd om in deze scriptie tevens dieper in te gaan op de interpretatie van de door Hume gebruikte (maar lang niet altijd duidelijk gedefinieerde) concepten door vertalers. Oz-Salzberger, die met zich met haar aanpak op het ingewikkelde terrein van de cultuurtransfertheorie begeeft. Deze benadering vergt echter een intensieve bestudering van de diverse teksten en hun context \u2020\u201c intensiever dan in de voor dit onderzoek gegeven tijd haalbaar is. <\/p>\n<p>Met de gegevens uit intekenlijsten als uitgangspunt kan in het derde deel de rol van Humes boekverkopers worden beschreven. Intekenlijsten waren een belangrijk instrument van uitgevers om zichzelf te verzekeren van een bepaalde afzet bij relatief dure \u2020\u201c en dus risicovolle \u2020\u201c producties. Op een intekenlijst stonden de namen van personen vastgelegd die \u00e9\u00e9n of meerdere boeken zouden afnemen zodra het gereed was. Enig prestige kwam hierbij ook om de hoek kijken: de lijst met intekenaren werd ook opgenomen in het boek. Behalve de naam werd vaak ook het aantal exemplaren en soms zelfs het beroep van de intekenaren erbij vermeld. Aan de hand hiervan kunnen we afleiden of er boekverkopers op de lijst stonden, en een schatting maken van de aantallen boeken die bedoeld waren voor de verkoop. Het eerste deel van de Nederlandse vertaling van de History of England heeft een dergelijke intekenlijst; onduidelijk is nog of de intekenaren hiermee ook een toezegging deden voor de aanschaf volgende delen. Dit is echter eenvoudig te achterhalen door ook de andere delen van de Historie van Engeland open te slaan..<br \/>\nZo kunnen we de veilingcatalogi van een aantal van de verkopers bestuderen, waarvan we weten dat ze Hume verkochten. Voor een duidelijker beeld van het soort boekhandelaar dat de werken van Hume verkocht zal ook de secundaire literatuur worden gebruikt. Van tenminste twee boekverkopers naar wie inmiddels onderzoek is verricht, weten we dat ze Hume in hun catalogus hadden. Over Hendrik Beman schreef Ang\u00e9lique de Meijer een artikel in de bundel Rotterdam bibliopolis (1997) en over het bedrijf van de familie Bluss\u00e9 schreef Arianne Baggerman het boek Een lot uit de loterij.75<\/p>\n<p>In de laatste paragraaf zal een eerste poging worden gedaan om erachter te komen wie Humes lezers waren. Hiervoor zal wederom gebruik gemaakt worden van de intekenlijsten, waarop immers ook individuele kopers met hun naam \u00e9n beroep te vinden waren. Voor de vertalingen van Humes essays beschikken we echter niet over dergelijke gegevens. De beschikbare secundaire literatuur over prominente Hollanders uit die periode zal daarnaast worden onderzocht om een overzicht van bekende Hume-lezers op te kunnen stellen. Over hun literaire voorkeur valt in enkele gevallen ook iets te zeggen, wanneer er informatie is overgebleven over hun persoonlijke boekenbezit. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Elizabeth Wolff en Aagje Deken.76<br \/>\nNaar aanleiding van de gevonden verwijzingen naar leesgenootschappen op de intekenlijsten, zal ook kort ingegaan worden op de rol van gezelschappen in de verspreiding van Humes idee\u00ebn. Hiervoor worden bibliotheekcatologi van Felix Meritis (Amsterdam), Het Bataafsch Genootschap (Rotterdam) en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Leiden) bestudeerd. Van de Hollandsche Maatschappij der Weetenschappen en het Teylers Genootschap in Haarlem is ge\u00efnventariseerd of Humes idee\u00ebn een rol speelden bij de prijsvragen die zij uitschreven.<br \/>\nDe bijbehorende case-study is een verkenning van de bijdrage die kwantitatief onderzoek naar boekveilingen kan leveren aan receptieonderzoek. Boekveilingen speelden een belangrijke rol in de circulatie van boeken in de achttiende eeuw. Vaak kreeg een boekverkoper de opdracht om de collectie van een overledene te veilen, of besloot hij zelf om zijn restanten op deze manier kwijt te raken. Dan stelde hij een catalogus op, zodat potenti\u00eble kopers alvast konden zien of er iets van hun gading bijzat. Het mooie van de veilingcatalogi als bron voor onderzoek is dat er relatief veel catalogi bewaard zijn gebleven. Het project Book sales catalogues of the Dutch Republic is het resultaat van een jarenlange inspanning om al deze catalogi op te speuren en te indexeren.77 De index zelf is inmiddels digitaal te doorzoeken op basis van gegevens over jaar, plaats en organisator van de veiling. Voor inzicht in de afzonderlijke titels in de catalogi moeten de microfiches worden bestudeerd.<br \/>\nEen onderzoek naar de aanwezigheid van werken van \u00e9\u00e9n auteur in persoonlijke bibliotheken \u2020\u201c zoals Walter Gobbers deed voor zijn onderzoek naar de receptie van Rousseau in Holland en Marc G. Spencer voor de receptie van Hume in Amerika \u2020\u201c is enorm arbeidsintensief. Gobbers bestudeerde destijds, uiteraard zonder digitale hulpmiddelen, 396 catalogi.78 Sinds 1954 is het aantal beschikbare catalogi bovendien aanzienlijk gegroeid, dankzij het Book sales catalogues-project. Een inventarisatie voor deze scriptie van de veilingen in de belangrijkste boekensteden van Holland leverde alleen al voor het decennium direct na de publicatie van de Treatise al 192 veilingcatalogi op (voor Amsterdam 77, voor Den Haag 88, en voor Leiden 37). Wie het Hume-bezit in Holland in kaart wil brengen heeft dus voldoende materiaal tot zijn of haar beschikking \u2020\u201c met als kanttekening dat we het nog altijd hebben over boekenverzamelingen van een ongebruikelijke omvang. De gemiddelde lezer krijgen we met deze gegevens niet in beeld, maar wel het soort publiek voor wie dure uitgaven als de Historie van Engeland bedoeld was. In deze case-study wordt een inventarisatie gemaakt van de boekveilingen in Haarlem, om te onderzoeken of er ook sporen van Humes werken terug te vinden zijn buiten de grote boekensteden.<br \/>\n2.4: Methodologie II: receptie<br \/>\nIn hoofdstuk 2a wordt gekeken naar aankondigingen en besprekingen van Humes werken in enkele achttiende-eeuwse tijdschriften. Het bestuderen van recensies is waarschijnlijk de meest voor de hand liggende methode om te achterhalen hoe er werd gereageerd op de werken van een auteur. In deze scriptie zal in de eerste plaats worden onderzocht w\u00e9lke werken van Hume werden besproken, en wat de inhoud was van deze besprekingen. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat bepaalde werken niet zijn besproken, is het wellicht mogelijk enkele hypotheses op te stellen over de reden dat dit niet is gebeurd.<br \/>\nDe belangrijkste bron is \u00e9\u00e9n van de succesvolste algemeen-culturele tijdschriften uit die tijd, de Vaderlandsche Letter-oefeningen. De besprekingen in de Letter-oefeningen waren indertijd vaak niet meer dan uittreksels, waarbij de auteur geheel naar wens de inhoud en citaten aanpaste aan de eigen agenda. Toch kunnen we uit de gemaakte selecties wel afleiden in hoeverre de nieuwe tekst in het referentiekader van de auteur paste, en kan er tussen de regels door vaak wel degelijk inhoudelijk commentaar worden ontdekt. Deze oppervlakkige beschouwingen waren bovendien voor de meeste lezers (die het zich doorgaans niet konden veroorloven om zomaar een boek te kopen) d\u00e9 manier om in contact te komen met nieuwe idee\u00ebn; een onderzoek naar de ontvangst van Humes werk kan dan ook niet om dit type artikelen heen.<br \/>\nDaarnaast zal worden gekeken naar recensies van Humes werk in andere publicaties, geleerdentijdschriften. Hier zal Wielema\u02bcs chronologische lijst van recensies van filosofische werken worden gebruikt en, waar nodig, worden aangevuld. Het gaat om titels als Boekzaal der geleerde Waerelt en de Republyk der geleerden ,die net als de Vaderlandsche Letter-oefeningen een lange looptijd hadden. Het feit dat het hierbij om zogenoemde geleerdentijdschriften gaat, zegt overigens nog weinig over de kwaliteit van de geplaatste boekbesprekingen. Wel waren er andere lezersverwachtingen. De lezers van de Letter-oefeningen verwachtten in hoofdzakelijk licht verteerbaar proza. Het publiek van de Boekzaal hoopte op een aangename manier kennis te maken met nieuwtjes uit de geleerde  wereld. We mogen dus verwachten dat de reacties in deze \u02bbgeleerde\u02bc titels meer bepaald worden door de inhoud van het werk zelf, in plaats van door de auteur. In een Duits tijdschrift met een soortgelijke opzet, de G\u00f6ttinger Zeitungen von gelehrten Sachen (enkele naamswijzigingen later de G\u00f6ttingische Anzeigen geheten), verschenen tot 1800 ruim zestig recensies van Humes werken.79 G\u00f6ttingen was \u00e9\u00e9n van de belangrijkste intellectuele centra van Europa, en het zou bijzonder zijn om te weten in hoeverre de belangstelling van een tijdschrift uit de Republiek hiermee overeenkwam.<br \/>\nDe langlopende tijdschriften in dit deel zijn ook wat betreft hun bereik interessant. Van de Vaderlandsche Letter-oefeningen  en de Boekzaal der geleerde Waerelt mogen we bijvoorbeeld aannemen dat ze konden rekenen op een grote groep vaste lezers \u2020\u201c in elk geval groot genoeg om de tijdschriften tientallen jaren in leven te houden, wat een behoorlijke prestatie was in die tijd.<\/p>\n<p>In hoofdstuk 2b worden andere reacties op Hume in tijdschriften behandeld. Hierbij zal in de eerste plaats worden gekeken naar de context waarin Hume door de verschillende auteurs wordt genoemd. Hierna kan worden geprobeerd om een inschatting te maken van de doeleinden waarmee dat gebeurde. Daarnaast is het wellicht mogelijk om een vergelijking te maken tussen de verschillende genres. Zo zal er in specialistische tijdschriften mogelijk worden verwezen naar specifieke werken van Hume, en zal Hume bij spectatoren mogelijk vooral om om zijn idee\u00ebn over moraliteit worden beoordeeld. Omdat de bestudeerde tijdschriften de volledige tweede helft van de achttiende eeuw bestrijken, kan ten slotte hopelijk iets gezegd worden over de ontwikkeling in de reacties op Hume. Waren er wellicht periodes waarin er beduidend meer naar Hume werd verwezen dan eerder? En is deze ontwikkeling te verklaren?<br \/>\nBehalve de tijdschriften uit het vorige hoofdstuk \u2020\u201c die niet uitsluitend boekbesprekingen plaatsten \u2020\u201c zullen ook andere bladen worden bestudeerd. Het is mogelijk een onderscheid te maken tussen algemeen-culturele bladen en gespecialiseerde bladen. In de eerste paragraaf zullen bladen uit de eerste categorie aan bod komen. Behalve de resterende Vaderlandsche Letter-oefeningen moet hierbij worden gedacht aan De algemene konst- en letterbode en het Algemeen magazyn van wetenschap, konst en smaak. G. J. Johannes heeft aangetoond dat er voor de tweede categorie tijdschriften nog nauwelijks een markt was. Veel gespecialiseerde bladen, zoals natuurwetenschap of over de filosofie, zagen zich al snel genoodzaakt om ook populairder onderwerpen te behandelen.80 Het is de vraag of deze ontwikkeling  van invloed is geweest op de verspreiding van de idee\u00ebn van Hume, die behalve theoretische ook toegankelijke literatuur hebben geschreven. Een uitzondering op deze ontwikkeling wordt misschien wel gevormd door de bladen die werden uitgegeven door de wetenschappelijke genootschappen. De genootschappen waren namelijk in financieel opzicht niet afhankelijk van de verkoop van hun eigen tijdschrift.<br \/>\nEen bijzondere plaats wordt ingenomen door de spectatoriale geschriften. Dit genre was in de eerste helft van de achttiende eeuw overgewaaid uit Engeland, en met name in de tweede helft van diezelfde eeuw zouden tientallen verschillende titels verschijnen in de Republiek. De eerder genoemde obsessie van de achttiende-eeuwse denkers met het verval van de Republiek vormde een belangrijke drijfveer: de \u02bbzedenmeesters\u02bc van de Republiek gingen het verval te lijf door zich op te werpen als de hoeders van de publieke moraal. Met behulp van gefingeerde briefschrijvers werden de lezers herinnerd aan de normen en waarden van de Republiek. Een steekproef, waarbij de nadruk ligt op spectatoren met een \u02bbgeleerde\u02bc uitstraling, zal moeten uitwijzen of deze \u02bbzedenmeesters\u02bc van Holland hierbij ook oog hadden voor de teksten van Hume.<br \/>\nWaar van de spectatoren grotendeels is achterhaald wie er precies schuilde achter aliassen als De Denker, De Philosooph, De Koopman of De Hollandsche Wijsgeer, is de identiteit van de schrijvers van reguliere tijdschriften onbekend.81 Onderzoek naar de achtergrond van deze teksten is hierdoor beperkt mogelijk. Bij de meeste korte verwijzingen zal de houding van de auteurs ten opzichte van Hume en zijn idee\u00ebn echter belangrijker zijn. Pas op het moment dat de auteurs dieper ingaan op de inhoud van Humes werk, wordt het de moeite waard om uit te vinden met wie we precies te maken hebben. Het speurwerk dat door andere historici is verricht zal hierbij goed van pas komen.<br \/>\nAls er sprake is van een positieve verwijzing, wordt dan duidelijk gemaakt welke specifieke aspecten van Humes werk waardering verdienen? En omgekeerd: is de kritiek bij negatieve verwijzingen gericht op een bepaald aspect van Humes idee\u00ebn? Wyger Velema heeft laten zien dat er bij het beoordelen van directe verwijzingen op een aantal verraderlijke patronen moet worden gelet.82 Allereerst zijn dat  rijtjes van namen van bekende denkers, die regelmatig opduiken in tijdschriftartikelen, boeken en brieven. Soms was dit voor de auteur namelijk niet veel meer dan een middel om blijk te geven van zijn (of haar) eigen belezenheid. Soms was deze \u02bbbelezenheid\u02bc bluf. De \u02bbcontext\u02bc waarin Hume werd genoemd, is in die gevallen gereduceerd tot een literaire kaartenbak van Grote Namen, waaruit naar hartenlust kon worden gegrabbeld. Hoewel ze ons over de inhoudelijke receptie van Hume niets kunnen vertellen, zeggen deze rijtjes iets over de reputatie van Hume, omdat er patronen zijn te herkennen in de opsommingen van zowel bewonderde als verafschuwde denkers. Er waren namen die \u02bbbij elkaar hoorden\u02bc, vanwege hun geboorteland, hun schrijfstijl of hun houding ten opzichte van godsdienstige onderwerpen. De diverse categorie\u00ebn waarin Hume wordt ingedeeld door auteurs vormen een belangrijk deel van zijn receptie, omdat ze het enige houvast vormden voor lezers (en, zoals gezegd, voor sommige schrijvers) die niet z\u00e9lf met Humes werk in aanraking waren gekomen.<br \/>\nTen tweede waarschuwt Velema voor de \u02bbrituele\u02bc lovende woorden die auteurs gebruiken, wanneer ze verwijzen naar Grote Namen.83 Over het algemeen bestond er in de Republiek der Letteren een neiging om waarde-oordelen zo dik mogelijk aan te zetten. Ook Hume was daar bijzonder bedreven in, getuige deze observatie over Holland in een reisverslag:<br \/>\n\u2020\u0153..as the Snows were then melted, after the most violent Frost in the World, we discover\u02bcd Holland in all its native Deformity. Nothing can be more disagreeable than that heap of Dirt &#038; Mud &#038; Ditches &#038; Reeds, which they here call a Country\u2020\u00a6\u2020\u009d84<br \/>\nWe moeten rekening houden met deze literaire overdrijvingen. Ook bij Nederlandse auteurs was het goed gebruik om denkers de hemel in te prijzen of hun afkeuring uitvoerig te laten blijken. Het is goed om hier constant bewust van te zijn, wanneer we de beoordelingen van  Humes werk op juiste waarde willen schatten.<\/p>\n<p>Hoe dan te werk te gaan bij het interpreteren van de reacties van Hume in de diverse tijdschriften? Hoe verhoudt deze scriptie zich op methodologisch vlak tot andere werken in de receptiegeschiedenis, en tot de verschillende benaderingen van de idee\u00ebngeschiedenis in het algemeen?<br \/>\nG\u00e9\u00e9n van de in deze scriptie behandelde aspecten is echt nieuw in de historiografie over de Hume-receptie: In Mark G. Spencers veelomvattende studie werden al een groot aantal boekhistorische bronnen ingezet. Zijn brede aanpak komt overeen met de door Darnton geformuleerde tussenoplossing voor de sociale idee\u00ebngeschiedenis:<br \/>\n\u2020\u0153the social history of ideas is searching for a methodology. It will probably fall back on ad hoc combinations of Cassirer and Mornet until it develops a discipline of its own. If those two masters cannot yet be brought together in a new definition of the Enlightenment, they cannot be left alone. And seen through the work of their successors, their achievement looms larger than ever\u2020\u009d85<br \/>\nDeze scriptie moet ook worden gezien als een dergelijke \u02bbad hoc\u02bc combinatie. Tijdens het onderzoek wordt, waar mogelijk, gehoor gegeven aan de cultuurhistorische aanbevelingen (zoals uitgesproken door Darnton uit het vorige hoofdstuk) over het beschouwen van het boek als medium voor expressie, het lezen als interpretatieve bezigheid, en het drukken van een boek als een antwoord op de vraag van het lezend publiek.<br \/>\nEerder bleek al dat een Dartonesque reconstructie van het traject tussen Hume\u02bcs uitgevers in Groot-Brittanni\u00eb en de leestafels de Hollandse Hume-lezers niet mogelijk was. Het zou fantastisch zijn om te onderzoeken of er na het Haarlemse verbod op Hume in 1789 een clandestiene Hume-handel op gang komt, maar het is de vraag of de bronnen dit toelaten. Bovendien is er nog zoveel onbekend over de \u02bboffici\u00eble\u02bc Hume-receptie, dat het redelijk lijkt om eerst d\u00e1\u00a1\u00e1\u00a1r aandacht aan te besteden. Daarnaast wordt er in deze scriptie w\u00e9l geprobeerd om een aantal \u02bbtussenstations\u02bc op het publicatie- en distributietraject uit te lichten. Alvorens in te gaan op de reacties in tijdschriften is er dus aandacht voor de praktijk van het uitgeven, het vertalen, het verkopen en het verzamelen van boeken. Al deze praktijken hebben invloed gehad op de ontvangst en interpretatie van Humes werken.<br \/>\nVoor een begrip van deze ontvangst en interpretatie is als vanzelfsprekend ook het idee\u00ebnhistorische deel van belang. Hoewel de tijdschriften een relatief groot publiek aanspraken, is er in deze scriptie van een \u00e9chte \u02bbsocial history of ideas\u02bc geen sprake. Dat neemt echter niet weg dat de reacties op Hume in tijdschriften het bestuderen waard zijn \u2020\u201c alleen al om het feit dat er nog zo weinig onderzoek gedaan is naar de tijdschriften in de late achttiende eeuw.<br \/>\nBij het bestuderen van de reacties op Hume zal daarnaast geen volwaardige discours-analyse mogelijk zijn, omdat daarvoor te weinig andere relevante bronnen zijn bestudeerd. Wel is het, gebruikmakend van de bronnen \u00e9n de secundaire literatuur,  mogelijk om de reacties te voorzien van een context. Dankzij het eerste hoofdstuk weten we hoe Humes werken tot stand zijn gekomen, en deze informatie kan een rol spelen bij het verklaren van de reacties op Hume. Met behulp van secundaire literatuur kan bovendien de sociaal-culturele en politieke achtergrond, waartegen de Hume-receptie zich afspeelde, worden geschetst. Hieronder kunnen we eigentijdse debatten over allerlei thema\u02bcs verstaan, maar ook de door Israel zo belangrijk geachte controverses. Of hij op politiek vlak nu behoudend was of niet, Humes werk was zo veelzijdig dat al vanaf het begin de meningen erover sterk uiteenliepen. Nu de receptie van Hume al voor heel Europa grotendeels is uitgezocht, is het de hoogste tijd dat deze uiteenlopende reacties ook voor Holland in kaart worden gebracht. Dit biedt bovendien de kans om de mogelijkheden voor de integratie van boekgeschiedenis en idee\u00ebngeschiedenis in receptieonderzoek als \u02bbvak apart\u02bc verder te onderzoeken.<br \/>\n3: Voorlopige resultaten<br \/>\nVoor een overzicht van de voorlopige resultaten van het huidige onderzoek kan worden gekeken op het online \u02bbwerkblog\u02bc en de interactieve bronnentijdbalk. Hoewel deze twee digitale bronnen op dit moment vooral bestaan uit een groot aantal ruwe aantekeningen, bieden ze een up-to-date inzicht in de voortgang van het onderzoek.<br \/>\nDe twee websites zijn afzonderlijk te bereiken via:<br \/>\nhttp:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/  \u2020\u201c voor het werkblog<br \/>\nhttp:\/\/http:\/\/hume.doesntexist.org\/tijdbalk\/tijdbalk.html  \u2020\u201c voor de bronnentijdbalk<br \/>\n3.1: Een werkblog<br \/>\nTijdens de lange opstartfase van deze scriptie is besloten om alle aantekeningen, gemaakt bij het bestuderen van bronnen en literatuur, te verwerken in een werkblog. Dit maakte het mogelijk deze aantekeningen om op elk moment, vanaf elke locatie (met een internetaansluiting) op te zoeken of aan te vullen. De mogelijkheden van het werkblog gaan echter verder. Door middel van categorie\u00ebn en zogeheten tags kunnen de aantekeningen geordend worden. Mits het taggen op een consequente manier gebeurt, bundelt een tag als \u02bbVertalingen\u02bc bijvoorbeeld alle aantekeningen die relevant zijn voor het beschrijven van de totstandkoming van de vertalingen van Humes werk. Omdat alle aantekeningen volledig opgenomen zijn in een database, is het ook mogelijk om met behulp van zoekwoorden relevante informatie te vinden. Dit voorkomt dat er eindeloos hoeft te worden gebladerd voor \u00e9\u00e9n bepaalde aantekening. Ook het plaatsen van links naar internet-bronnen en het plaatsen van afbeeldingen (bijvoorbeeld van gefotografeerde bronnen) vergemakkelijkt het onderzoek.<br \/>\n3.2: Een tijdbalk<br \/>\nDe experimentele bronnentijdbalk toont twee geschiedenissen boven elkaar: de publicatiegeschiedenis en de receptiegeschiedenis van Hume in Holland. Het eerste deel is momenteel gebaseerd op alle verschillende Hume-edities die te vinden zijn in Nederlandse bibliotheken. Hierin zijn, naast de originele Engelstalige publicaties en de Nederlandse vertalingen, ook Franse en Duitse vertalingen opgenomen. Het tweede deel, waarin de receptiegeschiedenis wordt weergegeven toont de diverse bronnen waarin wordt verwezen naar Hume. Momenteel worden alleen de bronnen die gevonden zijn via Google Books, en via e-Laborate (voor de verwijzingen in Vaderlandsche letter-oefeningen) weergegeven. Vooral de titels en beschrijvingen van de Letter-oefeningen zijn nog onvolledig. Toch geeft de balk een mooie indruk van de chronologie van de nuggets van het huidige onderzoek \u2020\u201c een term die door Adam Potkay werd gebruikt om de \u02bbgouden\u02bc vondsten van Marc G. Spencer, in zijn zoektocht naar Hume-verwijzingen in vroege Amerikaanse bronnen.86 Om de inhoud van de tijdbalk dynamisch te maken, wordt er gewerkt aan een manier om on-line ontbrekende informatie toe te voegen. Uiteindelijk zou het dan dus mogelijk zijn voor buitenstaanders om hun eigen nuggets ook toe te voegen, iets dat tot op heden nauwelijks mogelijk is in de receptiegeschiedenis.87<br \/>\nBijlage: voorlopige literatuurlijst<br \/>\nDe verdeling hieronder is natuurlijk enigszins geforceerd: een boekhistorisch werk over de achttiende eeuw zegt natuurlijk ook iets over de Verlichting, en literatuur over de receptie van Hume is bij uitstek geschikt om inzicht te geven in boekhistorische aspecten hiervan, zoals blijkt uit de bundel van Peter Jones.<\/p>\n<p>BMGN \u2020\u201c Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (1969-heden).<br \/>\nJNB \u2020\u201c Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis (1994-heden).<\/p>\n<p>Hume en de Schotse Verlichting<br \/>\nBroadie, Alexander ed., The Cambridge companion to the Scottish Enlightenment (Cambridge 2003).<br \/>\nForbes, Duncan, Hume\u02bcs philosophical politics (Cambridge: Cambridge University Press 1975).<br \/>\nHall, Roland, Fifty years of Hume scholarship (Edinburgh 1978).<br \/>\nHolthoon, Frederic L. van, \u02bbHume and the 1763 edition of his History of England: His frame of mind as a revisionist\u02bc, Hume studies 23 (1997), 133-152.<br \/>\nJessop, T.E., \u02bbThe misunderstood Hume\u02bc, in: William B. Todd ed., Hume and the Enlightenment: essays presented to Ernest Campbell Mossner (Edinburgh 1974), 1-13.<br \/>\nMossner, E. C., The life of David Hume (Edinburgh, Thomas Nelson and Sons Ltd. 1954).<br \/>\nNorton, David Fate en Richard H. Popkin ed.,<br \/>\nPhillipson, Nicholas, Hume (Londen: Weidenfeld &#038; Nicolson 1989).<br \/>\nRobertson, John, The case for the Enlightenment: Scotland and Naples 1680-1760 (Cambridge 2005).<br \/>\nSchmidt, Claudia M., David Hume: Reason in history (University Park, Pennsylvania: The Pennsylvania University Press 2003).<br \/>\nStewart., M. A. en John P. Wright, Hume and Hume\u02bcs connexions (Edinburgh: Edinburgh University Press 1994).<br \/>\nWootton, David, \u02bbDavid Hume, \u2020\u0153the historian\u2020\u009d\u02bc in: David Fate Norton ed., The Cambridge companion to David Hume (Cambridge: Cambridge University Press 1993), 281 \u2020\u201c 312.<\/p>\n<p>Receptiegeschiedenis: Hume<br \/>\nBongie, Laurence L., David Hume: prophet of the Counter-revolution (2e druk; Indianapolis 2000, eerste druk 1965), geraadpleegd via: http:\/\/files.libertyfund.org\/files\/673\/Bongie_0101_EBk_v4.pdf.<br \/>\nBrandt, Reinhard en Heiner F. Klemme, David Hume in Deutschland: Literatur zur Hume-Rezeption in Marburger Bibliotheken (Marburg 1989).<br \/>\nFieser, James, Early responses to Hume (10 delen, Bristol 2005; afzonderlijke delen verschenen tussen 1999 en 2005).<br \/>\nFresco, M. F., \u02bbHemsterhuis tussen Leibniz en Hume: of het probleem van de natuurlijke religie\u02bc, De geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland 5 (1994), 121-138.<br \/>\nGawlick, Gunter en Lothar Kreimendahl, Hume in der deutschen Aufklarung (Stuttgart 1987).<br \/>\nJessop, \u02bbThe Misunderstood Hume\u02bc, in: William B. Todd, ed., Hume and the Enlightenment: essays presented to Ernest Campbell Mossner (Edinburgh 1974), 1-13.<br \/>\nJones, P. ed., The reception of David Hume in Europe (Londen 2005).<br \/>\nKuehn, Manfred, \u02bbHume in the G\u00f6ttingische Anzeigen\u02bc, Hume Studies 13 (1987), 46-73.<br \/>\nMossner, Ernest C., \u02bbThe Continental Reception of Hume\u02bcs Treatise, 1739-1741\u02bc, Mind, New Series 56 (1947), 221, 31-43.<br \/>\nPopkin, R. H., \u02bbHume &#038; Isaac de Pinto, II: five new letters\u02bc, in: William B. Todd ed., Hume and the Enlightenment: essays presented to Ernest Campbell Mossner (Edinburgh 1974).<br \/>\nPopkin, R. H., \u02bbHume &#038; Isaac de Pinto, II\u02bc, Literature and language 12 (1971), 417-430.<br \/>\nPopkin, R. H., \u02bbIsaac de Pinto\u02bcs criticism of Mandeville and Hume on Luxury\u02bc, Studies on Voltaire and the Enlightenment 154; (1976), 1705-1714.<br \/>\nSpencer, Marc G., Hume\u02bcs reception in early America (2 delen, Bristol 2002).<br \/>\nSpencer, Marc G., David Hume and Eighteenth-Century America (Rochester,NY 2005).<\/p>\n<p>Receptiegeschiedenis: overige onderwerpen<br \/>\nBots, J.A., ed., Circulation and reception of periodicals in the French language during the 17th and 18th centuries. Proceedings of the international congress, Nijmegen, June 3-5 (Amsterdam en Maarssen 1988).<br \/>\nDarnton, Robert, \u02bbDiscourse and diffusion\u02bc, Contributions 1 (2005) 1, 21-28.<br \/>\nDijkstra-van Bakelen, R., \u02bbDe veilingcatalogus van maart 1789 van Betje Wolff en Aagje Deken\u02bc, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 34\/35 (1977), 123-148.<br \/>\nEijnatten, Joris van, \u02bbVan opruier tot icoon. Het Nederlandse Voltaire-beeld in de 18de en 19de eeuw\u02bc,  in: Jan Pieter van der Sterre ed., Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders (Amsterdam en Antwerpen 2005), 455-464.<br \/>\nGemert, Lia van, \u02bbDe verlichte lezer.\u02bc In: W. de Moor en B. Vanheste ed., De lezer in ogenschouw. Een caleidoscoop van het lezen. (Den Haag 1999), 31-55, geraadpleegd via: http:\/\/www.dbnl.org\/tekst\/geme003verl01_01\/.<br \/>\nGobbers, W., Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca1810) (Gent 1963).<br \/>\nGroenveld, S., \u02bbHet Mekka der schrijvers? Statencolleges en censuur in de zeventiende-eeuwse republiek\u02bc in: H. Duits e.a., ed., Eer is het Lof des Deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan Dr. Fokke Veenstra (Amsterdam 1986), 63-86.<br \/>\nHuussen jr., A.H., \u02bbFreedom of the press and censorship in the Netherlands, 1780-1810\u02bc, in: A.C. Duke, Too mighty to be free. Censorship and the press in Britain and the Netherlands (Zutphen 1987).<br \/>\nJongenelen, T., Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden (Amsterdam 1998).<br \/>\nKloek, J.J., \u02bbVielen de juffrouwen van \u02bberzelven? Of: is receptiegeschiedenis mogelijk?\u02bc in: R.T. Segers ed., Receptie-esthetika. Grondslagen, theorie en toepassing (Amsterdam 1980), 87-107, geraadpleegd via: http:\/\/www.dbnl.org\/tekst\/kloe003viel01_01\/.<br \/>\nKloek, J.J., Over Werther geschreven&#8230; Nederlandse reacties op Goethe\u02bcs \u02bbWerther\u02bc1775-1800. Proeve van een historisch receptie-onderzoek (2 delen, Utrecht 1985).<br \/>\nKnuttel, W.P.C., Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Beredeneerde catalogus (Den Haag 1914).<br \/>\nKuehn, Manfred, Scottish common sense in Germany, 1768-1800: a contribution to the history of critical philosophy (Kingston 1987).<br \/>\nOnnasch, Ernst-Otto, \u02bbReceptieonderzoek: de eerste receptie van Kants ilosofie in Nederland\u02bc, Tijdschrift voor filosofie 68 (2006), 133-156.<br \/>\nOz-Salzberger, Fania, Translating the Enlightenment: Scottish civic discourse in eighteenth-century Germany (Oxford 1995).<br \/>\nSkinner, Quentin, \u02bbOn intellectual history and the history of books\u02bc, Contributions 1 (2005) 1, 29-36.<br \/>\nThompson, Martyn P. , \u02bbReception theory and the interpretation of historical meaning\u02bc, History and theory, 32 (1993) 3, 248-272.<br \/>\nVelema, Wyger R.E., \u02bbRepublican readings of Montesquieu: the Esprit des Lois in the Dutch Republic \u02bb, in: idem, Republicans (2007), 93-114.<br \/>\nVerbeek, Th.H.M., \u02bbVoorlopige bibliografie van 18e-eeuwse vertalingen in het Nederlands van wijgerige werken\u02bc, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 22 (1972), 3-40.<br \/>\nWeekhout, I., Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden. De vrijheid van drukpers in de zeventiende eeuw (Den Haag 1998)<br \/>\nM.R. Wielema, \u02bbDie erste niederl\u00e1\u00a4ndische Kant-Rezeption 1786-1850\u02bc, Kant-Studien 79 (1988), 450-466.<br \/>\nWielema, M., \u02bbChronologische lijst van recensies van filosofische werken in achttiende-eeuwse Nederlandse tijdschriften\u02bc, in: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland, 2 (1991), 181-212.<\/p>\n<p>Boekgeschiedenis<br \/>\nBaggerman, Arianne, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blusse en Zoon 1745-1823 (Den Haag 2000).<br \/>\nBarber, G., \u02bbAspects of the book trade between England and the Low Countries in the eighteenth century\u02bc, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw 34\/35 (1977), 47-63.<br \/>\nBeek, J.E.F. ter, Bibliografie van gedrukte catalogi betrekking hebbend op het bezit van de Universiteitsbibliotheek te Leiden en de daarin opgenomen bruiklenen (Leiden 1989).<br \/>\nBerckvens-Stevelinck, C., \u02bbL\u02bc\u00e9dition fran\u00e1\u00a7aise en Hollande\u02bc in: R. Chartier, H.-J. Martin eds.,  Histoire de l\u02bc\u00e9dition fran\u00e1\u00a7aise, vol. II,Le livre trimphant 1660-1830 (Parijs 1984, paperbackeditie 1990), 316-325; 403-411 in de paperbackeditie.<br \/>\nBerckvens-Stevelinck, C., Le magasin de l\u02bcunivers. The Dutch Republic as the centre of the European book trade. Papers presented at the international colloquium, held at Wassenaar, 5-7 July 1990 (Leiden 1992).<br \/>\nBlauw, H.M. de, C.W.M. Van Hout, \u02bbDe 18e eeuwse leesbibliotheekcatologie\u02bc, in: J. Fontein e.a., eds., Populaire literatuur (Amsterdam 1974), 107-120.<br \/>\nBrouwer, H. \u02bbRondom het boek. Historisch onderzoek naar leescultuur, in het bijzonder in de achttiende eeuw. Een overzicht van bronnen en benaderingen, resultaten en problemen\u02bc, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 20 (1988), 51-120.<br \/>\nBrouwer, Han, Lezen en schrijven in de provincie : de boeken van Zwolse boekverkopers, 1777-1849  (Leiden 1995).<br \/>\nDarnton, Robert,  \u02bbThe forbidden bestsellers of pre-revolutionary France\u02bc, in: Colin Lucas, ed., Rewriting the French Revolution (Oxford 1991) 1-32.<br \/>\nEeghen, I.H. van, \u02bbDe Amsterdamsche Courant in de 18de eeuw\u02bc, in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 44 (1950), 31-58.<br \/>\nGoinga, Hannie van, \u02bbAlom te bekomen\u02bc. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800 (Amsterdam 1999).<br \/>\nGoinga, Hannie van, \u02bbBoeken in beweging. Publieke boekenveilingen in de Republiek 1711-1805 voornamelijk in Amsterdam, Groningen, Den Haag en Leiden\u02bc, JNB 11 (2004), 99-126.<br \/>\nHaitsma Mulier, E.O.G., G.A.C. van der Lem en P. Knevel, Repertorium van geschiedschrijvers in Nederland 1500-1800 (Den Haag 1980).<br \/>\nHazewinkel, H.C., \u02bbRotterdamse boekverkopers uit de Patriottentijd\u02bc, in: Opstellen door vrienden en collega\u02bcs aangeboden aan dr. F.K.H. Kossmann ter gelegenheid van zijn vijf en zestigste verjaardag en van zijn afscheid als Bibliothecaris der Gemeente Rotterdam (Den Haag 1958), 35-58.<br \/>\nHeersink, W. \u02bbOnder druk van de censuur. Boekverboden te Amsterdam, 1746-1750\u02bc, JNB 2 (1995), 56-76.<br \/>\nHoftijzer, P.G. en L.F. Lankhorst, Drukkers, boekverkopers en lezers in de Republiek: een historiografische en bibiliografische handleiding (2e druk; Den Haag 2000).<br \/>\nHoftijzer, P.G., \u02bbHet Nederlandse boekenbedrijf en de verspreiding van Engelse wetenschap in de zeventiende en vroege achttiende eeuw\u02bc, JNB 5 (1998), 59-71.<br \/>\nJansen, D., \u02bbUitgerekend op intekening. De kwantitatieve ontwikkeling van het leesgezelschap in Nederland, 1781-1850\u02bc, in: De negentiende eeuw, 14 (1990), 181-188.<br \/>\nJanssens-Knorsch, U., \u02bbA remarkable collection of English books in the Netherlands: the Bibliotheca Scheurleeriana, 1750-1763\u02bc,  in: Lias, 20 (1993), 287-320.<br \/>\nJohannes, G.J., \u02bbInfrastructuur en Verlichtingscultuur. Het Nederlandse tijdschrift: \u02bbspiegel der Verlichting?\u02bc, BMGN 111-2 (1996), 149-166.<br \/>\nJohannes, G.J., De barometer van de smaak: tijdschriften in Nederland 1770-1830 (Den Haag 1995).<br \/>\nKloek, J.J., en W.W. Mijnhardt \u02bbThe eighteenth-century revolution in reading: A myth?\u02bc, in: Transactions of the Seventh International Congress on the Enlightenment, deel II, (Oxford 1989), 645-651.<br \/>\nKloek, J.J. en W.W. Mijnhardt ed., Balans en perspectief van de Nederlandse cultuurgeschiedenis. De produktie, distributie en consumptie van cultuur (Amsterdam 1991).<br \/>\nKloek, J.J. en W.W. Mijnhardt, Leescultuur in Middelburg aan het begin van de negentiende eeuw (Middelburg 1988).<br \/>\nKooker, Henk W. en Bertus van Selm, Boekcultuur in de Lage Landen, 1500-1800. Bibliografie van publikaties over particulier boekenbezit in Noord- en Zuid-Nederland, verschenen voor 1991 (Utrecht 1993).<br \/>\nKoopmans, Joop W., \u02bbOm de lieve vrede? Buitenlandse invloeden op de Nederlandse censuur in de achttiende eeuw\u02bc, JNB 11 (2004), 83-97.<br \/>\nKruif, Jos\u00e9 de, Liefhebbers en gewoontelezers. Leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw, proefschrift Universiteit van Utrecht (1999).<br \/>\nLeeb, I.L., The ideological origins of the Batavian revolution (Den Haag 1973).<br \/>\nLoonen, P.L.M., &#8220;For to learne to buye and sell&#8221;: Learning English in the Low Dutch Area between 1500 and 1800: A Critical Survey (Amsterdam 1991).<br \/>\n Ang\u00e9lique de Meijer, \u02bbJan Daniel Beman: boekverkoper te Rotterdam in de 18e eeuw\u02bc, in: H. Bots e.a. ed., Rotterdam bibliopolis: een rondgang langs boekverkopers uit de zeventiende en achttiende eeuw (Rotterdam 1997), 413-461.<br \/>\nPeeperkorn, David, Jean-Jacques Rousseau en zijn uitgever Marc-Michel Rey (Zutphen 2009).<br \/>\nPopkin, J.D., \u02bbPrint culture in the Netherlands on the eve of the revolution\u02bc, in: M. C. Jacob, W. W. Mijnhardt, ed., The Dutch Republic in the eighteenth century. Decline, enlightenment, and revolution (Ithaca en Londen 1992), 273-291.<br \/>\nSelm, Bertus van, Hannie van Goinga en Paul Hoftijzer, Inzichten en vergezichten. Zes beschouwingen over het onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel (Amsterdam 1992).<br \/>\nSher, Richard B. The Enlightenment &#038; the book: Scottish authors &#038; their publishers in Eighteenth-Century Britain, Ireland, &#038; America (Chicago en Londen 2006).<br \/>\nVercruysse, J. \u02bbMarc-Michel Rey imprimeur philosophe ou philosophique\u02bc,  Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 34\/35 (1977), 93-121.<br \/>\nVliet, Rietje van, \u02bbDe Biblioth\u00e8que Impartiale (1750-1758): Geleerdentijdschrift en boekhandelstijdschrift\u02bc, De Achttiende Eeuw 31 (1999) 1, 35-63.<br \/>\nVliet, Rietje van, \u02bbDe poliep en de luis. Geleerden en boekverkopers in het midden van de achttiende eeuw\u02bc, JNB 11 (2004), 145-161.<br \/>\nVliet, Rietje van, Elie Luzac (1721-1796): boekverkoper van de Verlichting (Nijmegen 2005).<\/p>\n<p>De Verlichting(en) in Nederland en elders<br \/>\nDe geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland 5, themanummer \u02bbDe Verlichting in Nederland\u02bc, met bijdragen van o.a. W.W. Mijnhardt, Margaret Jacob, M.R. Wielema, Wyger R.E Velema, Marcel F. Fresco (1994).<br \/>\nBuisman, J.W., Tussen vroomheid en verlichting. Een cultuurhistorisch en \u2020\u201csociologisch onderzoek naar enkele aspecten van de Verlichting in Nederland (1755-1810), proefschrift Universiteit Leiden, 2 delen (1992).<br \/>\nBuijnsters, P.J., Hi\u00ebronymus van Alphen (1746-1803) (Assen 1973).<br \/>\nBuijnsters, P.J., \u02bbNederlandse leesgezelschappen uit de 18e eeuw\u02bc, in: P. J. Buijnsters, Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw. Veertien verkenningen (Utrecht 1984), 183-198.<br \/>\nBuijnsters, P.J., Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991).<br \/>\nDarnton, Robert, \u02bbIn search of the Enlightenment: recent attempts to create a social history of ideas\u02bc, Journal of modern history, 43 (1971) 1, 113-132.<br \/>\nEijnatten, Joris van, Liberty and concord in the United Provinces. Religious toleration and the public in the 18th century Netherlands (Leiden 2002).<br \/>\nFrijhoff, Willem en Maarten Prak eds., Geschiedenis van Amsterdam. Deel 2.2: Zelfbewuste stadstaat, 1650-1813 (Amsterdam 2005).<br \/>\nGay, Peter, The Enlightenment: An interpretation (2 delen, New York 1967-1969).<br \/>\nIsrael, Jonathan I., Radical Enlightenment: Philosophy and the making of modernity 1650-1750 (Oxford 2001).<br \/>\nIsrael, Jonathan I., Enlightenment Contested: Philosophy, modernity, and the emancipation of man 1670-1752 (Oxford 2006).<br \/>\nIsrael, Jonathan I., \u02bbEnlightenment! Which Enlightenment?\u02bc, Journal of the history of ideas 67 (2006) 3, 523-545.<br \/>\nIsrael, Jonathan I., \u02bbFailed enlightenment\u02bc: Spinoza\u02bcs legacy and the Netherlands (1670-1800) (Amsterdam 2007).<br \/>\nJacob, Margaret C., The radical Enlightenment: Panthe\u00efsts, Freemasons and republicans (Londen 1981).<br \/>\nJacob, Margaret C. en W.W. Mijnhardt ed., The Dutch Republic in the eighteenth century (Ithaca, NY, 1992).<br \/>\nKloek, J. J. en W.W. Mijnhardt, IJkpunt 1800. Blauwdrukken voor een samenleving (Den Haag 2001).<br \/>\nKrop, Henri, \u02bbEenheid in verscheidenheid: nieuwe visies op de (Nederlandse) Verlichting\u02bc, De achttiende eeuw 37(2005) 1, 53-68.<br \/>\nMijnhardt, W.W., Over de consumptie van cultuur, oratie Rijksuniversiteit Utrecht (Utrecht 1992).<br \/>\nMijnhardt, W.W., Tot heil van \u02bbt menschdom : culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815 (Amsterdam 1987).<br \/>\nPorter, Roy en Mikul\u00e1\u00a1\u00c5\u00a1 Teich eds., The Enlightenment in national context (Cambridge 1981).<br \/>\nQuay, P.P. De, De genoegzaamheid van het natuurlijk gezond verstand. Prijsverhandelingen over godsdienst, zedenkunde en burgerlijke maatschappij in Nederland aan het einde der 18e eeuw (Den Haag 2000).<br \/>\nRomein, Jan, en Annie Romein-Verschoor, \u02bbFrans Hemsterhuis: filosoof van de ziel\u02bc, in: idem, Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen, III, (4de druk; Amsterdam 1941), 68-97.<br \/>\nSas, N. C. F. van, De metamorfose van Nederland: van oude orde naar moderniteit, 1750-1900 (Amsterdam 2004).<br \/>\nVelema, Wyger R.E., Enlightenment and conservatism in the Dutch Republic: The political thought of Elie Luzac (Assen 1993).<br \/>\nVries, Marleen de, Beschaven!: Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800 (Amsterdam 2001).<br \/>\nWille, J., De literator R.M. Van Goens en zijn kring. Studi\u00ebn over de achttiende eeuw. Tweede deel (Amsterdam 1993).<br \/>\nZwager, H. H. Nederland en de Verlichting (Bussum 1972).<br \/>\nBijlage: voorlopige bronnenlijst<br \/>\nOok deze lijst is voorlopig: het is bijvoorbeeld goed mogelijk dat er nog andere tijdschriften opduiken waarin naar Hume werd verwezen. Ook ontbreken de precieze gegevens van de verschillende veilingcatalogi die zullen worden bestudeerd.<br \/>\nBrieven:<br \/>\nThe letters of David Hume, J.Y.T. Greig ed. (Intelex online editie, beschikbaar via: http:\/\/library.nlx.com).<br \/>\nNew Letters of David Hume, Raymond Klibansky and Ernest Mossner ed. (Intelex online editie, beschikbaar via: http:\/\/library.nlx.com).<\/p>\n<p>Catalogi:<br \/>\nCatalogus der bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. (3 delen, Leiden 1829).<br \/>\nCatalogus der bibliotheek van de Maatschappij: Felix Meritis (Amsterdam 1821).<br \/>\nCatalogus der bibliotheek van het Bataafsch Genootschap van proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam (Rotterdam 1870). <\/p>\n<p>Nederlandstalige Hume-uitgaven:<br \/>\nHume, David, Wysgeerige en staatkundige verhandelingen; van den heere David Hume ; uit het Engelsch vertaald &#8230;(Amsterdam: Kornelis van Tongerlo, 1764).<br \/>\nHume, David, Wysgeerige en staatkundige verhandelingen; van den heere David Hume ; uit het Engelsch vertaald &#8230;(Rotterdam: Abraham Bothall e.a.,1766).<br \/>\nHume, David, Historie van Engeland, van den inval van Julius C\u00e1\u00a6sar tot de staetsverandering in \u02bbt jaer 1688, of komste van Willem III. op den troon; In agt deelen. \/ Door David Hume &#8230; ; Uit het Engelsch vertaelt (8 delen; Rotterdam: Smithof e.a., 1769-1774).<br \/>\nHume, David, Het leeven van David Hume, Schildknaap; beschreeven door hemzelven, en versierd met zyn portrait (Amsterdam: Van Esveldt en Holtrop, 1777).<\/p>\n<p>Algemeen-culturele en specialistische tijdschriften:<br \/>\nVaderlandsche letter-oefeningen  (Amsterdam: Van der Kroe e.a. 1761 tot 1876), de eerste veertig jaargangen zijn geraadpleegd via: http:\/\/vlo.e-laborate.nl\/nl\/new_1\/.<br \/>\nAlgemene konst- en letter-bode en Nieuwe algemene konst- en letter-bode (Haarlem: Loosjes, 1788-1800)<br \/>\nUitgezogte verhandelingen uit de nieuwste werken van de societeiten der wetenschappen in Europa en van anderere geleerde mannen (Amsterdam: Houttuyn, 1757-65).<br \/>\nMaandelyksche uittreksels, of Boekzaal der geleerde waerelt (Amsterdam: Gerard onder de Linden, 1715-1811).<br \/>\nNieuwe bijdragen tot opbouw der vaderlandsche letterkunde (Leiden: Van der Eyck, 1766)<br \/>\nWerken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden (Leiden: Van der Eyck, 1772-1788)<br \/>\nVerhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen, te Haarlem (o.a. Haarlem: Jan Bosch e.a., 1754-1793).<br \/>\nRepublyk der geleerden, of Boekzaal van Europa, (onbekend, 1718-1774).<\/p>\n<p>Spectatoriale tijdschriften<br \/>\nDe algemeene spectator (Amsterdam: Pieter Hendrik Charlois, 1742-1743).<br \/>\nDe philantrope (Amsterdam: Houttuyn en Tongerlo, 1756-62).<br \/>\nDe Hollandsche wysgeer (Amsterdam: Dirk onder de Linden, 1759-1761).<br \/>\nDe denker (Amsterdam: De erven F. Houttuyn, 1763-1775).<br \/>\nDe philosooph (Amsterdam: P. Meyer en de weduwe K. van Tongerlo, 1766-1769).<br \/>\nDe onderzoeker (o.a. Amsterdam: Gerrit de Groot e.a., 1768-1772).<br \/>\nDe opmerker (o.a. Amsterdam: weduwe Gerrit de Groot e.a., 1772-1778).<br \/>\nDe koopman (Amsterdam: Mr. Jan Boon?, 1766-1776).<br \/>\nDe rhapsodist (Amsterdam: J. Lublink den Jongen, 1771-1783).<br \/>\nDe vaderlander (Amsterdam: de erven Houttuyn, 1775-1778).<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Hume in Holland Voorstel voor een masterscriptie Willem Prins Studentnummer: 0237337 Universiteit van Amsterdam Opleiding Geschiedenis Colloquium Master Geschiedenis Docenten: Dr. J. C. van Zanten en Dr. J. Turpijn Scriptiebegeleider: Dr. W. R. E. Velema 30 juni 2009 Inhoud Inhoud 2 Inleiding 3 1: State of the art 8 1.1: Receptiegeschiedenis 8 1.2: Hume-receptie 14 [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":[],"categories":[171],"tags":[276,275],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1484"}],"collection":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1484"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1484\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1485,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1484\/revisions\/1485"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1484"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1484"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/archief.somtijds.nl\/hume-blog\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1484"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}